Bedrijfslogo van Berger Maritiem met een groen blad dat duurzame maritieme innovatie en oplossingen symboliseert.
Logo van Berger Maritiem met een groen blad dat symbool staat voor duurzame innovatie en oplossingen in de maritieme sector.
Technische illustratie van een Pre-Swirl Stator (PSS) voor een scheepsschroef, met hydrodynamische stromingslijnen die de toestroming tonen.

Welke vergelijkingsbasis is nodig om een gemeten prestatieverschil aan een ESD te kunnen koppelen?

Om een gemeten prestatieverschil aan een Energy Saving Device (ESD) te kunnen koppelen, moet bekend zijn hoeveel schachtvermogen hetzelfde schip zonder de voorziening onder gelijkwaardige omstandigheden nodig zou hebben. Een lagere vermogensvraag na installatie bewijst niet automatisch dat de volledige verbetering door de ESD is veroorzaakt. Wanneer tijdens een dokbeurt ook de romp wordt gereinigd, de schroef wordt hersteld of de voortstuwingsregeling verandert, kunnen meerdere maatregelen bijdragen aan het resultaat. De vergelijkingsbasis moet daarom zowel de scheepscondities als de technische uitgangsconfiguratie vastleggen. Bij voorkeur verschillen de situaties met en zonder Pre-Swirl Stator (PSS), Pre-Duct, Propeller Boss Cap Fin (PBCF) of Rudder Bulb uitsluitend door de onderzochte voorziening. Wanneer een dergelijke vergelijking niet rechtstreeks kan worden gemeten, moet de ontbrekende referentie met aanvullende gegevens of berekeningen worden onderbouwd. De kwaliteit van die onderbouwing bepaalt of de ESD-besparing rechtstreeks kan worden vastgesteld, alleen kan worden geschat of niet afzonderlijk van andere verbeteringen kan worden onderscheiden.

Welke uitgangsconfiguratie vormt een betrouwbare ESD-referentie?

Een betrouwbare ESD-referentie beschrijft de voortstuwing zonder de onderzochte voorziening, maar met een verder gelijkwaardige technische configuratie. Daarbij gaat het niet alleen om de scheepsromp en schroef. Ook de roeropstelling, voortstuwingsregeling en relevante gekoppelde installaties moeten passen bij de situatie waarmee de ESD-prestatie wordt vergeleken.

Bij een bestaande bulkcarrier kan een snelheid-vermogensproef voor installatie een geschikte referentie opleveren. De gemeten relatie tussen vaarsnelheid en schachtvermogen beschrijft dan hoe het schip zonder ESD presteert. Om die relatie later te gebruiken, moet duidelijk zijn welke technische toestand tijdens de proef aanwezig was en of deze tussen beide meetcampagnes voldoende gelijk is gebleven.

Een eerdere opleveringsproef is daarvoor niet automatisch geschikt. Sinds de nieuwbouw kunnen de rompcoating, schroefconditie en bedrijfsinstellingen zijn veranderd. Ook kan een aanpassing aan de voortstuwing hebben plaatsgevonden. Een vergelijking met de oorspronkelijke opleveringsprestaties kan waardevolle informatie geven over de ontwikkeling van het schip, maar beschrijft niet noodzakelijk de afzonderlijke bijdrage van een later geïnstalleerde ESD.

De juiste referentie hangt daarom af van de vraag die moet worden beantwoord. Wanneer uitsluitend een PBCF op een bestaande schroef wordt aangebracht, ligt een vergelijking met dezelfde schroef zonder PBCF voor de hand. Worden een nieuwe schroef en Pre-Swirl Stator gezamenlijk geïnstalleerd, dan kan een vergelijking met de oorspronkelijke voortstuwing de verbetering van het complete pakket vaststellen. Voor de aanvullende bijdrage van de stator aan de nieuwe schroef is een vergelijking nodig met diezelfde nieuwe schroef zonder stator.

Dat laatste is een belangrijke beperking van de bewijsvoering. Een uitgangsprestatie die voorafgaand aan de retrofit is gemeten, beschrijft niet automatisch hoe het schip na alle overige werkzaamheden, maar zonder ESD, zou hebben gefunctioneerd. Juist die ontbrekende toestand is nodig om het afzonderlijke effect van de voorziening vast te stellen.

Bij nieuwbouw ontstaat een vergelijkbare situatie wanneer het schip uitsluitend met ESD wordt opgeleverd. De prestaties van de uitvoering zonder voorziening kunnen dan uit berekeningen of modelproeven worden afgeleid, maar zijn niet rechtstreeks op ware grootte gemeten. De vergelijking blijft afhankelijk van de betrouwbaarheid waarmee die ontbrekende configuratie is voorspeld.

Ook de oppervlaktetoestand hoort bij de afbakening van de referentie. Een vervuilde romp zonder ESD vormt geen gelijkwaardige uitgangssituatie voor dezelfde romp na reiniging met ESD wanneer het doel is uitsluitend de voorziening te beoordelen. Daarvoor moet worden vastgesteld hoe de schone configuratie zonder ESD zou hebben gepresteerd.

Een technisch bruikbare referentie bestaat dus uit meer dan een eerder gemeten vermogenswaarde. De configuratie, onderhoudstoestand en bedrijfsinstellingen moeten voldoende nauwkeurig zijn vastgelegd om te bepalen welke verandering werkelijk wordt onderzocht. Vooral bij kleine verwachte ESD-besparingen kan deze afbakening bepalender zijn dan de nauwkeurigheid van een afzonderlijk meetinstrument.

Waarom moet de technische toestand tussen de metingen vergelijkbaar blijven?

De hydrodynamische prestatie van een schip verandert wanneer de toestand van romp of schroef verandert. Aangroei en toegenomen coatingruwheid kunnen de weerstand verhogen. Beschadigde bladranden, afzettingen en een ruwer schroefoppervlak kunnen daarnaast de werking van de schroef verslechteren. Wanneer zulke omstandigheden tussen twee meetcampagnes veranderen, kan ook de vermogensvraag verschuiven zonder dat de ESD daarvoor verantwoordelijk is.

Dat maakt een geplande dokbeurt tot een bijzondere situatie voor prestatievalidatie. De dokbeurt biedt een praktische gelegenheid om een ESD te installeren, maar gaat vaak samen met werkzaamheden die eveneens de voortstuwingsprestatie verbeteren. Een tanker kan bijvoorbeeld met aangroei het dok ingaan en na coatingonderhoud, schroefpolijsten en installatie van een Pre-Duct weer vertrekken.

Wanneer het schip daarna bij dezelfde snelheid minder vermogen nodig heeft, is de totale verbetering relevant. Voor de afzonderlijke ESD-bijdrage ontbreekt echter nog een belangrijke vergelijking: hoe zou het schip na hetzelfde onderhoud, maar zonder Pre-Duct hebben gepresteerd?

De invloed van onderhoud kan niet altijd met een algemeen besparingspercentage worden bepaald. De oorspronkelijke vervuiling, coatingconditie en schroefruwheid verschillen per schip. Ook kan de hydrodynamische bijdrage van een ESD veranderen wanneer de romp- en schroefconditie veranderen. Een voorziening die op een bepaalde aanstroming is afgestemd, hoeft bij een sterk afwijkend wakeveld niet precies dezelfde prestatie te behouden. Daarom is het eenvoudig aftrekken van een veronderstelde onderhoudsbesparing van de gemeten totaalverbetering geen voldoende onderbouwde methode. Zo'n berekening veronderstelt dat de afzonderlijke effecten bekend zijn en op de betreffende vergelijkingsbasis opgeteld kunnen worden. Wanneer onderhoud ook de werking van de ESD beïnvloedt, kan die veronderstelling tekortschieten.

Een gerichte voor- en nameting rondom een afzonderlijke ESD-installatie biedt een sterkere uitgangssituatie. Wanneer dezelfde meetapparatuur wordt gebruikt, de periode tussen de proeven kort is en de overige technische toestand aantoonbaar weinig verandert, neemt de mogelijkheid toe om het vermogensverschil aan de voorziening toe te schrijven.

Deze aanpak is toegepast in gepubliceerd onderzoek naar een Pre-Swirl Stator op een zeegaande bulkcarrier. Voor en na de installatie werden afzonderlijke snelheid-vermogensproeven uitgevoerd, aangevuld met hydrodynamische berekeningen. De korte periode tussen de metingen en de gunstige proefvaartomstandigheden hielpen om de invloed van andere veranderingen te beperken. Het resultaat bleef betrekking hebben op de onderzochte scheepsconfiguratie en meetopzet.

Ook bij een korte tussenperiode blijft controle nodig. Een schip kan tijdens de werkzaamheden toch zijn gereinigd, een andere schroefconditie hebben gekregen of wijzigingen aan de voortstuwingsregeling hebben ondergaan. Daarom zijn inspectiegegevens, onderhoudsregistraties en een overzicht van uitgevoerde werkzaamheden onderdeel van de technische onderbouwing.

Wanneer de toestand niet gelijkwaardig kan worden gehouden, hoeft de prestatiebeoordeling niet te vervallen. Wel verandert de bewijskracht. De totale verbetering kan nog steeds worden gemeten, terwijl de afzonderlijke ESD-bijdrage aanvullende onderbouwing vraagt. Dat onderscheid moet voorafgaand aan de werkzaamheden al duidelijk zijn.

Hoe worden de metingen op een gemeenschappelijke prestatiebasis gebracht?

Een gelijkwaardige technische configuratie is pas een bruikbare vergelijkingsbasis wanneer ook de gemeten scheepsprestaties op dezelfde voorwaarden betrekking hebben. De referentie en de uitvoering met ESD moeten daarom worden vergeleken bij overeenkomstige snelheid door het water, diepgang, trim en relevante omgevingscondities.

De snelheid-vermogensrelatie vormt hierbij het uitgangspunt. Een klein snelheidsverschil kan bij een waterverplaatsend zeeschip al een merkbaar verschil in benodigd vermogen veroorzaken. Door geschikte meetpunten binnen een gemeenschappelijk snelheidsgebied te vergelijken, kan worden vastgesteld welke vermogensvraag bij dezelfde vaarsnelheid hoort.

Verschillen in wind, golven, stroming en waterdiepte moeten eveneens voldoende bekend zijn. De invloed daarvan op de metingen kan worden gecorrigeerd voor zover de gekozen methode op die omstandigheden van toepassing is. Grote verschillen verdienen terughoudendheid, omdat de benodigde correcties zelf onzekerheid toevoegen. Voor een kustvaarttanker kan bovendien een andere belading of trim het resultaat veranderen, ook wanneer de gemeten vaarsnelheid overeenkomt.

De gebruikte meetinstrumenten en correctiemethoden moeten voor beide situaties voldoende vergelijkbaar zijn. Vooral bij een kleine verwachte ESD-besparing kunnen kalibratieverschillen of systematische meetafwijkingen belangrijk worden. Ook moet duidelijk zijn welke meetruns zijn gebruikt en of de bedrijfscondities tijdens die runs voldoende stabiel waren.

De vergelijkingsbasis moet eveneens vastleggen welk vermogen wordt beoordeeld. Bij een gekoppelde asgenerator kan het vermogen op een meetpunt in de aandrijflijn afwijken van het vermogen dat daadwerkelijk aan de schroef wordt geleverd. De positie van de vermogensmeting en eventuele gekoppelde vermogensafnames moeten daarom bekend zijn.

Het schroeftoerental en koppel hoeven met en zonder ESD niet identiek te blijven. Een voorziening kan juist de schroefwerking veranderen, waardoor bij dezelfde scheepsprestatie een ander voortstuwingsbedrijfspunt ontstaat. De beoordeling moet dat verschil kunnen meenemen zonder de vergelijking op ongelijke snelheden of scheepstoestanden te baseren.

De gemeenschappelijke voorwaarden en de methode voor eventuele correcties worden bij voorkeur voorafgaand aan de metingen vastgelegd. Zo blijft duidelijk wat beide snelheid-vermogensrelaties vertegenwoordigen.

Een nauwkeurige correctie voor weersomstandigheden of belading kan echter geen ontbrekende technische referentie vervangen. Wanneer naast de ESD ook de schroef is gewijzigd of de romp is gereinigd, blijft afzonderlijke onderbouwing nodig om te bepalen welk deel van de verbetering aan de voorziening kan worden toegeschreven.

Wanneer kunnen andere wijzigingen de gemeten ESD-bijdrage vertekenen?

Niet iedere verandering van de voortstuwing is tijdens inspectie direct zichtbaar. Vooral bij een Controllable Pitch Propeller (CPP) kunnen gewijzigde instellingen invloed hebben op het gemeten schachtvermogen.

Een CPP kan afhankelijk van de installatie met verschillende combinaties van bladstand en toerental de benodigde voortstuwing leveren. Wanneer tegelijk met een ESD de combinatorkromme wordt aangepast, verandert mogelijk ook de efficiëntie van de bestaande voortstuwing. Een voor- en nameting beschrijft dan het gezamenlijke resultaat van beide wijzigingen.

Om de aanvullende ESD-bijdrage bij de nieuwe regeling te bepalen, moet bekend zijn hoe de voortstuwing zonder ESD maar met die aangepaste regeling zou hebben gepresteerd. Alleen het vergelijken van de oorspronkelijke instelling zonder ESD met de nieuwe instelling inclusief ESD maakt dat onderscheid niet mogelijk.

Een vergelijkbare situatie ontstaat bij de gezamenlijke optimalisatie van een schroef en Pre-Swirl Stator. De oorspronkelijke schroef kan worden vervangen door een geometrie die beter aansluit op het actuele vaarprofiel. De stator wordt vervolgens afgestemd op de aanstroming van die nieuwe schroef. Beide maatregelen beïnvloeden elkaar hydrodynamisch, waardoor de afzonderlijke besparingen niet zonder meer optelbaar zijn.

In zo'n geval zijn drie configuraties bijzonder informatief: de oorspronkelijke voortstuwing, de nieuwe schroef zonder stator en de nieuwe schroef met stator. Het verschil tussen de laatste twee beschrijft de aanvullende bijdrage van de stator aan de nieuwe schroefconfiguratie, mits de overige uitgangspunten gelijkwaardig zijn.

Dat is niet noodzakelijk dezelfde verbetering die de stator op de oorspronkelijke schroef zou hebben geleverd. De geometrie en aanstroming zijn immers veranderd. De bijdrage van een ESD is daarom verbonden met de configuratie waarin de voorziening wordt toegepast.

Bij een gezamenlijk geoptimaliseerd ontwerp verdient nog een ander onderscheid aandacht. Wanneer de nieuwe schroef speciaal is ontwikkeld om met de stator samen te werken, beschrijft het verwijderen van de stator uit diezelfde geometrie wel een technisch vergelijkbare tussenconfiguratie. Het bewijst echter niet hoeveel verbetering de stator als zelfstandige maatregel op de oorspronkelijke schroef zou hebben geleverd. Evenmin laat het zonder aanvullende ontwerpstudie zien welke nieuwe schroef zonder stator optimaal zou zijn geweest.

De keuze van de referentie bepaalt dus niet alleen de uitkomst, maar ook de betekenis van het gerapporteerde effect. De vergelijking kan betrekking hebben op de toegevoegde voorziening bij een vaststaande schroefgeometrie, op een gezamenlijk geoptimaliseerd voortstuwingssysteem of op het verschil tussen twee zelfstandig geoptimaliseerde alternatieven. Die uitkomsten beantwoorden verschillende technische vragen.

Ook wijzigingen aan de motorregeling of elektrische energievoorziening kunnen de beoordeling beïnvloeden wanneer brandstofverbruik als prestatiemaatstaf wordt gebruikt. Een lagere brandstofvraag hoeft niet uitsluitend voort te komen uit een lagere hydrodynamische vermogensvraag. De verandering van het schachtvermogen moet daarom herkenbaar blijven naast eventuele verbeteringen in het motorbedrijf en de energieopwekking aan boord.

Een gecombineerde retrofit hoeft niet te worden vermeden om een goede prestatieverbetering te realiseren. Wel bepaalt de gekozen configuratievergelijking welke bijdrage afzonderlijk kan worden vastgesteld. Wanneer een geschikte tussenconfiguratie ontbreekt, kan de totale verbetering aantoonbaar zijn zonder dat de afzonderlijke ESD-besparing rechtstreeks is gemeten.

Wanneer kan een berekende referentie de ontbrekende meting aanvullen?

Bij veel retrofitprojecten is het praktisch niet mogelijk om alle relevante configuraties afzonderlijk op ware grootte te beproeven. Een ESD wordt tijdens een dokbeurt geïnstalleerd en het schip gaat daarna weer in bedrijf. De situatie waarin dezelfde onderhoudstoestand zonder ESD aanwezig is, wordt dan mogelijk nooit rechtstreeks gemeten.

Hydrodynamische berekeningen kunnen helpen om deze ontbrekende referentie te benaderen. Met Computational Fluid Dynamics (CFD) of modelproeven kan bijvoorbeeld worden onderzocht hoeveel schachtvermogen een schip na romp- en schroefonderhoud zonder de voorgestelde ESD nodig zou hebben. Dat berekende resultaat kan worden gebruikt bij de beoordeling van de gemeten prestatie na installatie.

Een fictief voorbeeld maakt het verschil in bewijskracht duidelijk. Stel dat een bulkcarrier voor een dokbeurt bij een bepaalde snelheid 4.000 kW schachtvermogen nodig heeft. Na rompreiniging, schroefpolijsten en installatie van een Pre-Swirl Stator wordt onder vergelijkbare omstandigheden 3.850 kW vastgesteld. De gemeten totale verbetering bedraagt dan 150 kW.

Om de afzonderlijke statorbijdrage te beoordelen, wordt vervolgens berekend hoeveel vermogen de gereinigde en herstelde configuratie zonder stator zou vragen. Stel dat een daarvoor ontwikkeld hydrodynamisch model 3.900 kW voorspelt. De vergelijking met de gemeten 3.850 kW wijst dan op een aanvullende verbetering van ongeveer 50 kW.

Die 50 kW is echter niet rechtstreeks als afzonderlijke statorbesparing gemeten. Het resultaat is een modelondersteunde schatting. Daarbij is niet alleen de nauwkeurigheid van de berekende referentie van belang, maar ook de vergelijkbaarheid tussen het rekenmodel en de daadwerkelijke meting. Een systematische afwijking van het model kan immers een deel van het gevonden verschil verklaren.

De onderbouwing wordt sterker wanneer het rekenmodel kan worden getoetst aan betrouwbare meetgegevens en de configuraties met en zonder stator volgens consistente uitgangspunten worden doorgerekend. Ook dan moet worden onderzocht hoe betrouwbaar juist het voorspelde verschil tussen beide configuraties is. Een goede overeenkomst met het gemeten vermogen van de oorspronkelijke of uiteindelijke toestand bewijst niet automatisch dat de afzonderlijke statorbijdrage met dezelfde nauwkeurigheid is bepaald.

Alle vermogenswaarden in dit voorbeeld zijn fictief. Het gaat niet om onderzoeksresultaten van een bestaand schip. Het voorbeeld laat zien waarom 150 kW gemeten totaalverbetering en ongeveer 50 kW geschatte ESD-bijdrage verschillende conclusies zijn. De betrouwbaarheid van de geschatte 50 kW kan zonder een onzekerheidsbeoordeling niet worden vastgesteld.

Voor een bruikbare berekende referentie moet de geometrie van de onderzochte scheepsconfiguratie voldoende nauwkeurig bekend zijn. Ook de toestand van romp en schroef, relevante bedrijfsinstellingen en het juiste voortstuwingsbedrijfspunt moeten worden meegenomen. Een model dat is afgestemd op de situatie voorafgaand aan het onderhoud, kan niet zonder aanvullende beoordeling worden gebruikt om de schone toestand na de dokbeurt te voorspellen.

De geschiktheid van de berekeningsmethode hangt bovendien af van de onderzochte voorziening. Een Pre-Duct beïnvloedt onder meer de aanstroming van de schroef, terwijl een PBCF direct samenwerkt met de stroming rond de bladwortels en naaf. Een model dat de oorspronkelijke snelheid-vermogensprestatie goed beschrijft, hoeft niet automatisch alle effecten van deze verschillende ESD-typen even nauwkeurig te voorspellen.

Ook vergelijking met een zusterschip kan ondersteunende informatie leveren. Verschillen in constructie, schroefgeometrie, onderhoudstoestand en bedrijfsinstellingen moeten dan wel voldoende bekend zijn. Zelfs bij schepen uit dezelfde bouwserie kan die variatie belangrijk zijn ten opzichte van een kleine verwachte ESD-besparing.

Een berekende of alternatieve referentie kan de technische beoordeling aanzienlijk versterken wanneer een rechtstreeks vergelijkbare meting ontbreekt. De uitkomst blijft echter afhankelijk van aannames, modelkwaliteit en onzekerheid. In de rapportage moet dat onderscheid zichtbaar blijven.

Wanneer mag een gemeten prestatieverbetering aan de ESD worden toegeschreven?

Een prestatieverbetering kan met voldoende vertrouwen aan een ESD worden toegeschreven wanneer de referentie geschikt is, de metingen een gelijkwaardige scheepsprestatie beschrijven en andere relevante veranderingen voldoende zijn uitgesloten of afzonderlijk verantwoord. Ook moet de nauwkeurigheid van het vastgestelde vermogensverschil passen bij de omvang van de verwachte besparing.

Daarbij zijn twee soorten zekerheid belangrijk. De eerste betreft het prestatieverschil zelf: hoeveel minder schachtvermogen vraagt het schip onder de gekozen omstandigheden? De tweede betreft de toerekening: welk deel van dat verschil is daadwerkelijk veroorzaakt door de ESD?

Een meetcampagne kan op het eerste punt overtuigend zijn en op het tweede tekortschieten. Wanneer na een dokbeurt een duidelijke vermogensvermindering wordt gemeten, staat daarmee mogelijk vast dat het schip efficiënter is geworden. Als tegelijkertijd meerdere technische maatregelen zijn uitgevoerd, kan de afzonderlijke ESD-bijdrage toch onbekend blijven.

Het omgekeerde is eveneens mogelijk. Een goed vergelijkbare technische toestand voor en na installatie vormt een sterke basis voor toerekening. Maar als de voorspelde ESD-besparing klein is ten opzichte van de meetonzekerheid, kan het verschil alsnog onvoldoende betrouwbaar worden vastgesteld.

De onzekerheid moet daarom worden beoordeeld voor de volledige vergelijking. Bepaalde meetafwijkingen kunnen bij gebruik van dezelfde instrumenten gedeeltelijk overeenkomen, terwijl andere onzekerheden juist afzonderlijk doorwerken. Ook de invloed van toegepaste correcties en eventuele berekende referenties moet worden meegenomen. De nauwkeurigheid van een afzonderlijke vermogensmeting zegt niet automatisch hoe nauwkeurig de besparing is bepaald.

De technische rapportage moet aansluiten op wat de resultaten daadwerkelijk aantonen. Wanneer de ESD de enige relevante verandering is en het vermogensverschil voldoende betrouwbaar is vastgesteld, kan een afzonderlijke ESD-besparing worden gerapporteerd. Wanneer meerdere maatregelen tegelijk zijn uitgevoerd, kan mogelijk alleen de totale prestatieverbetering rechtstreeks worden aangetoond. Een aanvullende berekening kan de ESD-bijdrage schatten, maar die uitkomst moet herkenbaar blijven als modelondersteund resultaat.

Internationale meetrichtlijnen bieden methoden om snelheid-vermogensproeven en prestatiemonitoring consistent uit te voeren. Het doel en toepassingsgebied verschillen echter per richtlijn. Een methode voor het corrigeren van proefvaartgegevens bewijst niet automatisch welke technische wijziging het gemeten prestatieverschil heeft veroorzaakt. Ook zijn methoden voor langdurige romp- en schroefprestatiemonitoring niet zonder verdere onderbouwing toepasbaar op iedere voortstuwingsconfiguratie.

Voor een scheepseigenaar of technisch manager moet het resultaat daarom duidelijk maken welk vermogen is vergeleken, welke referentie is gebruikt en welke maatregelen in de gerapporteerde verbetering zijn opgenomen. Ook moet zichtbaar zijn of de afzonderlijke ESD-bijdrage rechtstreeks is gemeten, met aanvullende berekeningen is geschat of niet betrouwbaar van andere veranderingen kan worden onderscheiden.

De vergelijkingsbasis bepaalt daarmee welke conclusie uit een gemeten prestatieverschil mag worden getrokken. Een betrouwbare snelheid-vermogensvergelijking laat zien hoe de voortstuwingsprestatie is veranderd. Om die verandering aan een Energy Saving Device te koppelen, moet daarnaast voldoende vaststaan hoe dezelfde scheepsconfiguratie zonder de voorziening zou hebben gepresteerd. Wanneer die referentie ontbreekt of door andere wijzigingen wordt beïnvloed, kan een totale verbetering nog steeds waardevol zijn, maar blijft de afzonderlijke ESD-besparing beperkt tot wat de beschikbare metingen en berekeningen daadwerkelijk onderbouwen.

Dit artikel binnen de reeks

De vergelijkingsbasis moet aansluiten op de beoordeling van de volledige voortstuwingsprestatie, waarbij ook de veranderde krachten op romp en roer meetellen. Wanneer de beschikbare berekeningen of metingen onvoldoende zekerheid geven over de ESD-werking, is de vervolgvraag welke aanvullende metingen naast CFD nodig zijn. Deze samenhang tussen referentie, prestatieverschil en technische onderbouwing staat centraal binnen hydrodynamisch ontwerp en prestatievalidatie van ESDs.