Bedrijfslogo van Berger Maritiem met een groen blad dat duurzame maritieme innovatie en oplossingen symboliseert.
Logo van Berger Maritiem met een groen blad dat symbool staat voor duurzame innovatie en oplossingen in de maritieme sector.
Technische illustratie van een Pre-Swirl Stator (PSS) voor een scheepsschroef, met hydrodynamische stromingslijnen die de toestroming tonen.

Wanneer is FEM-analyse technisch zinvol bij de structurele integratie van een ESD?

Een FEM-analyse is technisch zinvol wanneer de sterkte, stijfheid, stabiliteit of vermoeiingsbestendigheid van een Energy Saving Device (ESD) en de bijbehorende bevestigingsconstructie niet voldoende betrouwbaar met eenvoudigere berekeningen kan worden aangetoond. Met de Finite Element Method (FEM) wordt onderzocht hoe belastingen door de constructie worden overgedragen en waar kritische spanningen of vervormingen ontstaan. Dat is vooral relevant bij een Pre-Swirl Stator (PSS), Pre-Duct, Propeller Boss Cap Fin (PBCF) of Rudder Bulb met complexe belastingsafdracht, plaatselijke spanningsconcentraties of onderdelen die langdurig wisselende krachten ondervinden. Computational Fluid Dynamics (CFD) kan helpen de hydrodynamische belastingen te bepalen, maar geeft niet rechtstreeks aan of de constructie daartegen bestand is. Een FEM verbindt deze belastingen met de geometrie, materiaaleigenschappen en ondersteuning van de voorziening. Welke analyse nodig is, hangt af van de constructieve risico's, de beschikbare belastinggegevens en de toepasselijke ontwerpeisen. Daarbij kan een afwijkende bedrijfsconditie maatgevend zijn, ook wanneer de ESD tijdens normale kruissnelheid hydrodynamisch gunstig functioneert.

Wanneer volstaat een eenvoudige sterktecontrole en wanneer is FEM nodig?

De constructieve beoordeling begint met de manier waarop een ESD wordt belast en hoe de krachten aan het schip worden overgedragen. Bij een overzichtelijke constructie kunnen analytische berekeningen en toepasselijke ontwerpregels voldoende zijn om de sterkte van afzonderlijke onderdelen of verbindingen te controleren. Een eenvoudige bevestiging met een goed bekende belasting vraagt niet automatisch om een uitgebreid FEM-model.

Dat verandert wanneer de werkelijke spanningsverdeling niet meer voldoende betrouwbaar met zulke vereenvoudigingen kan worden beschreven. Een Pre-Swirl Stator ondervindt bijvoorbeeld hydrodynamische krachten die buiging en torsie in de vinnen veroorzaken. De aansluiting op de achtersteven moet deze belastingen overdragen aan de huidplaten en achterliggende verstijvers. Daarbij is niet alleen de sterkte van de vin belangrijk, maar ook de plaatselijke belasting van de rompconstructie.

Een statorvin kan afzonderlijk voldoende sterk zijn, terwijl rondom de aansluiting hoge spanningen of ongewenste vervormingen ontstaan. De ondersteuning van de vin en de stijfheid van de achtersteven beïnvloeden elkaar. FEM kan deze samenhang inzichtelijk maken wanneer een eenvoudige berekening onvoldoende zekerheid biedt over de werkelijke belastingafdracht.

Bij bestaande zeeschepen verdient dit bijzondere aandacht. De aanwezige constructie is doorgaans niet oorspronkelijk voor de aanvullende ESD-belastingen ontworpen. Het kan daarom nodig zijn om ook de huidplaat, verstijvers en aansluitende constructiedelen te onderzoeken. Een berekening van uitsluitend de ESD zelf geeft dan geen volledig beeld van de constructieve geschiktheid.

Niet alleen de maximale materiaalspanning kan maatgevend zijn. Een relatief slanke ductconstructie kan bijvoorbeeld gevoelig zijn voor lokale instabiliteit, terwijl bij een gelaste statorbevestiging de vermoeiingslevensduur doorslaggevend kan worden. Ook een vervorming die binnen de toegestane materiaalspanning blijft, kan onaanvaardbaar zijn wanneer daardoor de speling tot de schroef of het roer onvoldoende wordt.

De mogelijke gevolgen van constructief falen wegen eveneens mee. Wanneer een onvoldoende sterke verbinding kan leiden tot schade aan de achtersteven, verlies van een onderdeel of gevaar voor de schroef en het roer, moet de beoordeling voldoende zekerheid bieden over de relevante belastingen en faalmechanismen.

FEM is daarmee geen standaardverplichting voor iedere ESD, maar ook geen methode die uitsluitend bij grote of ingewikkelde voorzieningen zinvol is. Een relatief kleine naafvoorziening kan bijvoorbeeld een kritische lokale bevestiging hebben die een gedetailleerde beoordeling vraagt. Omgekeerd kan een grotere constructie met overzichtelijke belastingsafdracht onder geschikte voorwaarden met eenvoudiger methoden worden gecontroleerd.

De keuze wordt bepaald door de technische vraag die moet worden beantwoord en de eisen die voor de betreffende constructie gelden. Wanneer lokale spanningen, vervormingen, stabiliteit of wisselende belastingen bepalend zijn, kan FEM noodzakelijk worden om de geschiktheid voldoende betrouwbaar aan te tonen.

Welke belastinggevallen moeten in de structurele beoordeling worden meegenomen?

Een ESD wordt hydrodynamisch vaak ontwikkeld voor een representatieve vaarsnelheid en schroefbelasting. De krachten tijdens dat bedrijfspunt zijn echter niet noodzakelijk maatgevend voor de constructieve uitvoering. Tijdens andere bedrijfsomstandigheden kunnen zowel de grootte als de richting van de belasting veranderen.

Bij een Pre-Swirl Stator beschrijft een stationaire CFD-berekening bijvoorbeeld de hydrodynamische belasting tijdens een bepaalde vaartoestand. Wanneer het schip in golven beweegt, veranderen de plaatselijke aanstroomsnelheid en stromingsrichting rond de statorvinnen. Hierdoor kunnen tijdelijk andere buig- en torsiebelastingen ontstaan dan tijdens rustige rechtuitvaart.

Naast deze hydrodynamische veranderingen kunnen traagheidskrachten op de constructie ontstaan door de versnellingen van het schip. Voor een passende beoordeling moet daarom worden vastgesteld welke invloed scheepsbewegingen, plaatselijke aanstroming en de werkende schroef op de totale belasting hebben. Daarbij mogen belastingsbijdragen die al in een gekoppelde berekening zijn verwerkt niet opnieuw worden toegevoegd.

Onderzoek naar Pre-Swirl Stators laat zien dat de invloed van de werkende schroef op de berekende statorspanningen per belastinggeval kan verschillen. Bij een onderzochte configuratie bleek de schroefmodellering belangrijk voor de structurele beoordeling in rustig water, terwijl de extra spanningen door bepaalde golfgeïnduceerde scheepsbewegingen veel minder gevoelig waren voor de gekozen schroefrepresentatie. De golfanalyse was niet opgezet om alle snelle belastingwisselingen door passerende schroefbladen of de vermoeiing over een volledig zeegangsspectrum vast te stellen. Dat resultaat geldt voor de onderzochte configuratie en vormt geen algemene reden om de schroef bij golfbelasting buiten het model te laten.

Bij zwaardere zeegang kunnen bovendien kortdurende belastingen ontstaan die niet uit een gebruikelijke stationaire voortstuwingsberekening volgen. Wanneer een statorvin bij beperkte onderdompeling tijdelijk boven het wateroppervlak komt en daarna opnieuw onder water raakt, kunnen hoge inslagbelastingen optreden. Of dit mogelijk is, hangt onder meer af van de ligging van de vinnen, diepgang, zeegang en scheepsbewegingen.

Bij proeven met een zelfvoortstuwend containerschipmodel zijn dergelijke belastingen bij het opnieuw onder water komen van de afzonderlijk bemeten bovenste statorvin vastgesteld. Ook manoeuvres zoals een noodstop of het inzetten van een draai konden in de onderzochte opstelling aanzienlijke krachten veroorzaken. Deze resultaten laten zien waarom afwijkende bedrijfsstanden afzonderlijke aandacht verdienen, zonder dat dezelfde belastingniveaus voor andere schepen of statorontwerpen mogen worden aangenomen.

Voor een zeegaande bulkcarrier kunnen zowel langdurige vaart bij verschillende beladingstoestanden als zwaardere omstandigheden op zee relevant zijn. Bij een shortsea-schip met frequente havenaanlopen kunnen daarnaast wisselende schroefbelastingen en manoeuvreerstanden aandacht verdienen. Welke belastinggevallen maatgevend zijn, hangt af van de positie, onderdompeling en uitvoering van de ESD.

Bij een Rudder Bulb kan bijvoorbeeld een grotere roeruitslag een andere drukverdeling en belasting veroorzaken dan rechtuitvaren. Een PBCF ondervindt naast de hydrodynamische belasting ook krachten die samenhangen met de rotatie van de schroefnaaf. Bij een Pre-Duct kunnen wisselende aanstroomrichtingen de belasting van het ductprofiel en de ondersteuningen veranderen.

Voor de structurele beoordeling moeten verschillende soorten belasting worden onderscheiden. Een uitzonderlijk hoge belasting kan maatgevend zijn voor de uiterste sterkte, stabiliteit of blijvende vervorming. Een lagere belasting die gedurende vele bedrijfsuren herhaaldelijk optreedt, kan juist bepalend worden voor de vermoeiingslevensduur.

De benodigde belastinggevallen worden daarom niet uitsluitend geselecteerd op basis van de hoogste berekende hydrodynamische kracht. Ook de richting, ruimtelijke verdeling, frequentie en duur van de belastingen zijn belangrijk. Waar relevant moeten bovendien belastingscombinaties worden onderzocht die daadwerkelijk gelijktijdig kunnen optreden.

Voor langdurige vermoeiingsbeoordelingen kan informatie over het verwachte vaargebied en de verdeling van zeetoestanden nodig zijn. Daarmee kan worden onderzocht welke wisselende belastingen gedurende de ontwerp- of resterende levensduur optreden. Voor extreme belastingen kan een afzonderlijke beoordeling van maatgevende golf- en manoeuvreercondities noodzakelijk zijn.

Een FEM-berekening kan de constructieve reactie op een opgegeven belasting beschrijven, maar compenseert niet voor een ontbrekend maatgevend belastinggeval. Daarom moet de belastingselectie voldoende zijn onderbouwd voordat de sterkte en levensduur van de voorziening worden beoordeeld.

Hoe worden hydrodynamische belastingen uit CFD aan FEM gekoppeld?

CFD en FEM worden gecombineerd wanneer de berekende hydrodynamische belastingen moeten worden vertaald naar spanningen en vervormingen in de ESD en de ondersteunende constructie. CFD beschrijft de stroming en de druk- en schuifspanningen op de oppervlakken. FEM berekent hoe de constructie op deze belastingen reageert.

Voor een eerste globale sterktecontrole kunnen resulterende krachten en momenten voldoende zijn. Daarmee kan bijvoorbeeld worden onderzocht hoeveel buiging in een statorvin ontstaat en welke belasting via de bevestiging aan het achterschip wordt overgedragen.

Wanneer de plaatselijke spanningsverdeling belangrijk is, kan deze vereenvoudiging tekortschieten. Twee stromingssituaties kunnen dezelfde totale dwarskracht op een vin veroorzaken, terwijl de belasting op een andere plaats aangrijpt. Wanneer de grootste kracht dichter bij de vinpunt ontstaat, kan het buigend moment bij de bevestiging aanzienlijk verschillen van een gelijkmatiger verdeelde belasting.

Voor een gedetailleerde FEM-analyse kan daarom de ruimtelijke drukverdeling uit CFD worden overgedragen. Het stromingsrooster en het structurele rekenrooster verschillen meestal van elkaar. De belastingsoverdracht moet zo worden uitgevoerd dat de resulterende krachten en momenten voldoende behouden blijven en de plaatselijke verdeling realistisch wordt weergegeven.

Bij de koppeling moet bovendien rekening worden gehouden met de richting waarin de druk op de oppervlakken werkt. Wanneer de FEM-geometrie een andere oppervlakteverdeling of een vereenvoudigde profielvorm heeft, mag de overdracht niet ongemerkt tot een andere resulterende belasting leiden. Daarom is het belangrijk om te controleren of het krachten- en momentenevenwicht bij de overdracht behouden blijft.

Ook moet duidelijk zijn welke belastingen uit CFD afkomstig zijn en welke afzonderlijk worden toegevoegd. Een hydrodynamische drukverdeling omvat bijvoorbeeld niet automatisch de volledige traagheidsbelasting van de constructie door scheepsversnellingen. Bij een draaiende PBCF moeten bovendien de relevante rotatiebelastingen worden meegenomen. De totale belasting op het FEM-model moet aansluiten op het onderzochte bedrijfs- of ontwerpbelastinggeval.

Wanneer afzonderlijke tijdsafhankelijke belastingen worden gecombineerd, zijn ook de onderlinge timing en fase van belang. Het gelijktijdig toepassen van alle afzonderlijke maximale krachten kan een conservatieve maar fysisch onrealistische combinatie opleveren. Omgekeerd kunnen relevante piekbelastingen worden gemist wanneer de berekening alleen gemiddelde krachten gebruikt. De gekozen belastingscombinatie moet daarom passen bij het faalmechanisme dat wordt beoordeeld.

De randvoorwaarden beïnvloeden vervolgens de structurele uitkomst. Wanneer een statorvin in het model volledig star wordt vastgezet, kan de spanning rond de aansluiting afwijken van de situatie waarin de huidplaat en achterliggende verstijvers vervormen. Daarom kan het nodig zijn om een gedeelte van de scheepsconstructie in het model op te nemen of de flexibiliteit daarvan via geschikte randvoorwaarden te beschrijven.

Een uitgebreider constructiemodel is echter niet altijd nodig. Voor een globale beoordeling van een onderdeel kunnen vereenvoudigde randvoorwaarden voldoende zijn wanneer de invloed van die randvoorwaarden op de uitkomst bekend en aanvaardbaar is. Bij een kritische bevestiging kan juist een lokale detailanalyse noodzakelijk worden.

Ook de vervorming van de ESD zelf kan van belang zijn voor de hydrodynamische werking. Wanneer een statorvin onder belasting slechts beperkt vervormt en die vervorming de stroming nauwelijks beïnvloedt, kan een eenzijdige CFD-FEM-koppeling voldoende zijn. De stromingsbelasting wordt dan berekend en vervolgens op het structurele model toegepast.

Wanneer de vervorming de aanstroming, belasting of dynamische stabiliteit wezenlijk beïnvloedt, kan een gekoppelde fluid-structure interaction-analyse nodig zijn. Daarbij worden stroming en constructiereactie in onderlinge samenhang onderzocht. Dat vraagt meer modellering en is vooral zinvol wanneer een eenvoudigere benadering het relevante verschijnsel onvoldoende betrouwbaar kan beschrijven.

De betrouwbaarheid van de CFD-FEM-koppeling hangt daarmee niet alleen af van de nauwkeurigheid van beide modellen afzonderlijk. Ook de volledigheid van de belastingen, de belastingsoverdracht tussen de modellen en de representativiteit van de constructieve ondersteuning bepalen of de resultaten bruikbaar zijn.

Welke constructiedelen verdienen bij verschillende ESD-typen extra aandacht?

De constructieve risico's verschillen per ESD-type doordat de voorzieningen op andere plaatsen zijn bevestigd en de belastingen op verschillende manieren overdragen.

Bij een Pre-Swirl Stator zijn vooral de vinnen, de aansluiting daarvan op het achterschip en de achterliggende rompconstructie belangrijk. De hydrodynamische belasting veroorzaakt buiging en mogelijk torsie, waardoor rond de vinvoet en de bevestiging hoge plaatselijke spanningen kunnen ontstaan. De constructieve beoordeling moet aantonen dat zowel de vin als de ondersteuning voldoende sterk en stijf is.

Vooral bij relatief slanke vinnen kan de profielgeometrie een belangrijke rol spelen. Een verandering van dikte of vorm beïnvloedt de hydrodynamische werking, maar ook de buig- en torsiestijfheid. Een vin die met een dunner profiel gunstiger stroomt, kan daardoor constructief minder aantrekkelijk worden wanneer de spanningen of vervormingen te groot worden.

Bij een Pre-Duct worden de hydrodynamische krachten via het ductprofiel en de ondersteuningen aan de achtersteven overgedragen. De constructie moet voldoende stijf blijven om onaanvaardbare vervormingen en belasting van de bevestigingen te voorkomen. Bij relatief dunwandige profielen kan daarnaast lokale instabiliteit of knik een relevante controle zijn. Dat laatste vraagt een afzonderlijke beoordeling. Een ductconstructie kan onder de toegestane materiaalspanning blijven en toch onvoldoende stabiel zijn bij een ongunstige belasting. Een lineaire knikanalyse kan aanwijzingen geven over mogelijke instabiliteit, maar levert niet zonder meer de werkelijke bezwijkbelasting op wanneer geometrische imperfecties of niet-lineair gedrag belangrijk zijn.

Een Propeller Boss Cap Fin (PBCF) vraagt een andere benadering. De vinnen draaien met de schroefnaaf mee en ondervinden daardoor zowel hydrodynamische als rotatiegerelateerde belastingen. Vooral de vinvoet, naafkap en bevestigingsmiddelen kunnen belangrijk zijn voor de sterkte en levensduur van de constructie. Afhankelijk van de uitvoering moeten centrifugaalkrachten, lokale buiging en wisselende hydrodynamische belastingen worden meegenomen. Ook de mechanische belasting en balans van de draaiende configuratie verdienen aandacht wanneer die voor de betreffende schroef relevant zijn. De bevestigingsconstructie mag bovendien niet worden beoordeeld alsof de naafvinnen afzonderlijke stilstaande appendages zijn.

Bij een Controllable Pitch Propeller (CPP) kan de verstelbare naaf aanvullende beperkingen opleggen. Niet iedere naafkap biedt dezelfde bevestigingsmogelijkheden. FEM kan helpen om spanningen in een geschikte constructie te beoordelen, maar bepaalt niet zelfstandig of de gekozen PBCF mechanisch verenigbaar is met het verstelmechanisme en de eisen van de schroeffabrikant.

Een Rudder Bulb is onderdeel van het roer. De belasting wordt via de aansluiting op het roerblad overgedragen aan de roerconstructie. Afhankelijk van de geometrie kunnen lokale spanningen, vervormingen van het roer en veranderingen van de totale roerbelasting relevant zijn. Wanneer de bulb de hydrodynamische krachten wezenlijk verandert, moet ook worden beoordeeld of de bestaande roerconstructie en, waar relevant, de roerkoning, lagers en ondersteuning daarvoor geschikt blijven. Een lokale controle van uitsluitend de bulb kan dan onvoldoende zijn.

De structurele invloed van een ESD hoeft bovendien niet beperkt te blijven tot het onderdeel waarop de voorziening is bevestigd. Een Pre-Duct kan de schroefstraal en de wisselende drukbelasting op het achterliggende roer veranderen. In een numerieke studie van een specifieke Pre-Swirl Duct-configuratie zijn berekende drukfluctuaties op het roer gebruikt voor een dynamische FEM-beoordeling. Voor die configuratie namen de berekende roerspanningen en het beoordeelde vermoeiingsrisico toe. Dat resultaat rechtvaardigt geen algemene conclusie over alle ducts, maar laat wel zien waarom aangrenzende voortstuwingsonderdelen soms in de structurele beoordeling moeten worden betrokken.

De constructieve beoordeling volgt dus uit de werkelijke belastingsafdracht en de onderdelen waarvan het gedrag door de ESD verandert. Bij een Pre-Swirl Stator en Pre-Duct ligt de aandacht vaak op de vaste ondersteuningen aan de romp. Bij een PBCF zijn de draaiende naafkap en bevestigingen belangrijk. Voor een Rudder Bulb kan de aansluiting op het roer en de invloed op de bestaande roerconstructie bepalend worden.

Wanneer zijn vermoeiing en trillingen bepalend voor de FEM-beoordeling?

Een constructie kan de hoogste verwachte belasting veilig opnemen en toch onvoldoende geschikt zijn voor jarenlang gebruik. Veel ESDs worden voortdurend blootgesteld aan wisselende hydrodynamische krachten. Vooral verbindingen met plaatselijke spanningsconcentraties kunnen daardoor vermoeiingsgevoelig zijn.

Bij een Pre-Swirl Stator kan de aansluiting tussen vin en romp bijvoorbeeld herhaaldelijk worden belast door veranderingen in aanstroming, schroefwerking en scheepsbewegingen. De gemiddelde spanning hoeft daarbij niet uitzonderlijk hoog te zijn. De vermoeiingslevensduur wordt mede bepaald door de grootte van de spanningswisselingen, het aantal belastingscycli en de eigenschappen van het constructiedetail.

Een statische FEM-berekening van de maximale spanning is daarom onvoldoende om vermoeiing te beoordelen. Daarvoor moeten ook de relevante spanningswisselingen en belastinggeschiedenis bekend zijn. Bij gelaste verbindingen wordt vervolgens een geschikte vermoeiingsmethode toegepast, waarbij de berekende spanningen worden verbonden met de daarvoor geldende beoordelingscriteria.

Voor een zeegaande bulkcarrier kan de belastinggeschiedenis bijvoorbeeld bestaan uit langdurige perioden met relatief beperkte spanningswisselingen, afgewisseld met zwaardere omstandigheden op zee. Welke bijdrage deze belastingen aan vermoeiingsschade leveren, hangt af van de omvang en frequentie van die belastingen. Een enkele extreme belasting beschrijft die levensduurberekening niet.

De betrouwbaarheid van de vermoeiingsbeoordeling wordt bovendien beïnvloed door het gebruikte spanningsbegrip, de geometrie van lasdetails en de omstandigheden waarin de constructie functioneert. Een globale FEM-spanning mag daarom niet zonder meer worden gebruikt voor een lokale vermoeiingscontrole wanneer het toepasselijke criterium bijvoorbeeld een nominale spanning of structurele hot-spotspanning vereist. Ook de gekozen vermoeiingscurve moet aansluiten op het betreffende detail en de gebruikte spanningsdefinitie.

Trillingen vormen een afzonderlijk aandachtspunt. Een ESD heeft eigenfrequenties en bijbehorende trillingsvormen. Wanneer wisselende hydrodynamische krachten de constructie in een gevoelig frequentiegebied belasten, kunnen verhoogde trillingsamplitudes en spanningen ontstaan.

Bij een Pre-Swirl Stator kunnen onder meer turbulente stroming, wervelafschudding en de invloed van de werkende schroef relevante excitatiebronnen zijn. Met een modale FEM-analyse kunnen de eigenfrequenties en trillingsvormen worden onderzocht. Daarbij moet, waar relevant, ook de invloed van het omringende water op de dynamische eigenschappen worden meegenomen. De eigenfrequenties van een constructie in water kunnen afwijken van die in lucht. Het meebewegende water veroorzaakt namelijk een aanvullende traagheidswerking, vaak beschreven als toegevoegde massa. Een beoordeling die uitsluitend droge eigenfrequenties gebruikt, kan daardoor een relevant frequentieverschil missen. Hoe belangrijk dat is, hangt af van de geometrie, bevestiging en trillingsvormen van de voorziening.

Een mogelijke overeenkomst tussen een excitatie- en eigenfrequentie vormt een aanwijzing voor trillingsgevoeligheid, maar bepaalt niet zelfstandig de werkelijke trillingsamplitude. Daarvoor zijn ook de sterkte van de excitatie, demping en dynamische respons belangrijk.

Stromingsgeïnduceerde instabiliteit vraagt nog een andere beoordeling. Bij flutter beïnvloeden de beweging van de constructie en de hydrodynamische krachten elkaar zodanig dat de beweging onder bepaalde omstandigheden instabiel kan worden. Dit verschilt van een constructie die door een externe periodieke kracht tot trillen wordt gebracht. Een gewone modale FEM-analyse kan belangrijke informatie leveren over de constructieve eigenschappen, maar sluit flutter of andere stromingsgeïnduceerde instabiliteiten niet zelfstandig uit. Wanneer zo'n verschijnsel technisch relevant is, kan een gespecialiseerde hydro-elastische analyse nodig zijn.

Onderzoek naar Pre-Swirl Stators heeft zowel de statische en wisselende belastingen als het dynamische gedrag van de vinconstructie behandeld. Daarbij zijn onder meer de eigenfrequenties in water, de invloed van de schroef en de structurele respons in golven onderzocht. Bij een specifieke onderzochte stator bleef de dynamische bijdrage aan de totale spanningen beperkt. Dat betekent niet dat iedere afzonderlijke trillingsvorm even weinig werd versterkt: de betekenis daarvan hangt ook af van het aandeel van die trillingsvorm in de totale spanning. Het resultaat geldt evenmin automatisch voor andere vinvormen of bevestigingsconstructies.

Voor een ESD-beoordeling is het daarom belangrijk om sterkte, vermoeiing en dynamische stabiliteit niet als uitwisselbare controles te behandelen. Iedere beoordeling vraagt eigen belastingsgegevens, berekeningsmethoden en acceptatiecriteria. FEM is waardevol wanneer deze gegevens nodig zijn om een relevant constructief risico voldoende betrouwbaar vast te stellen.

Hoe wordt vastgesteld of het FEM-model voldoende betrouwbaar is?

Een betrouwbaar FEM-model moet de werkelijke constructie en de onderzochte belastingen voldoende nauwkeurig beschrijven. Een zeer fijn rekenrooster heeft weinig waarde wanneer de geometrie, materiaaleigenschappen of randvoorwaarden niet overeenkomen met de uitvoering die wordt gebouwd.

Bij retrofit begint de controle daarom met de bestaande constructie. De werkelijke plaatdiktes, verstijvers, aansluitingen en bevestigingsmogelijkheden moeten voldoende bekend zijn. Wanneer corrosie, eerdere reparaties of afwijkingen van de oorspronkelijke tekeningen relevant zijn, moeten deze in de beoordeling worden meegenomen. Daarbij moet duidelijk zijn welke resterende materiaaldiktes en andere constructieve eigenschappen in de berekening zijn gebruikt.

Ook de modellering van de ondersteuning verdient aandacht. Een star ingeklemde statorvin kan een andere spanningsverdeling opleveren dan dezelfde vin op een vervormbare achterstevenconstructie. De invloed van deze vereenvoudiging moet daarom bekend zijn, vooral wanneer de spanning rond de bevestiging bepalend is voor de ontwerpkeuze.

Vervolgens wordt de numerieke nauwkeurigheid beoordeeld. Rond constructieve overgangen, openingen en verbindingen kunnen sterke spanningsgradiënten ontstaan. Daar kan lokale roosterverfijning nodig zijn. Een controle met verschillende roosterdichtheden helpt vaststellen of de relevante spanningen en vervormingen voldoende stabiel worden voorspeld.

Niet iedere berekende piekspanning heeft echter dezelfde betekenis. Bij een sterk vereenvoudigde scherpe hoek of volledig starre inklemming kan een numerieke spanningsconcentratie ontstaan die bij verdere roosterverfijning steeds hoger wordt. Zo'n uitkomst mag niet zonder passende interpretatie rechtstreeks als bewijs voor constructieve afkeur worden gebruikt.

Het gekozen spanningsbegrip moet aansluiten op het beoordelingscriterium. Een globale controle van materiaalsterkte, een lokale beoordeling van plastische vervorming en een vermoeiingscontrole van een lasverbinding kunnen verschillende spanningsdefinities en modelniveaus vereisen.

Ook de aard van het constructieve gedrag is belangrijk. Een lineaire elastische FEM-analyse kan geschikt zijn wanneer de vervormingen klein blijven en het materiaalgedrag voldoende lineair is. Wanneer knik, plastische vervorming, contact of een veranderende belastingverdeling bepalend kunnen worden, moet worden beoordeeld of een uitgebreidere analyse noodzakelijk is.

Bij dynamische beoordelingen moeten daarnaast het gebruikte massamodel, de ondersteuning en eventuele waterinvloeden voldoende representatief zijn. Een fout in de aangenomen massa of stijfheid kan de berekende eigenfrequenties veranderen, ook wanneer het rekenrooster zelf voldoende fijn is.

Ten slotte moeten de belastingen en resultaten controleerbaar zijn. Het moet duidelijk zijn welke belastinggevallen zijn toegepast, hoe de krachten zijn overgedragen en welke constructieve onderdelen zijn beoordeeld. Ook de relevante vervormingen, spanningen en toegepaste veiligheids- of acceptatiecriteria moeten herkenbaar blijven.

De betrouwbaarheid van FEM wordt dus niet uitsluitend bepaald door de detaillering van het model. Een bruikbare beoordeling verbindt geschikte belastinggegevens met een representatieve constructie, een voldoende nauwkeurige numerieke oplossing en criteria die passen bij het onderzochte faalmechanisme.

Hoe beïnvloeden FEM-resultaten het ESD-ontwerp en de technische vrijgave?

FEM kan tijdens het ESD-ontwerp duidelijk maken welke constructieve wijzigingen noodzakelijk zijn. Wanneer bij een Pre-Swirl Stator hoge spanningen rond de vinvoet ontstaan, kan een aangepaste aansluiting of een andere verdeling van de belasting nodig zijn. De verbetering hoeft daarbij niet uitsluitend uit extra materiaal te bestaan. Ook een gewijzigde vorm of ondersteuning kan de spanningsverdeling gunstiger maken.

Bij een Pre-Duct kan de analyse aanleiding geven om ondersteuningen te verplaatsen, plaatselijke verstevigingen aan te brengen of de stijfheid van het profiel te vergroten. Voor een PBCF kunnen de vinvoet, naafkap en bevestigingsmiddelen aanpassing vragen. Bij een Rudder Bulb kan vooral de verbinding met het bestaande roer of de plaatselijke roerconstructie maatgevend zijn.

Een constructieve aanpassing kan echter gevolgen hebben voor de hydrodynamische werking. Een dikkere statorvin verandert mogelijk de opgewekte voorrotatie en de eigen hydrodynamische krachten. Een extra ductondersteuning kan de stroming naar de schroef beïnvloeden. Daarom moet na een relevante constructieve wijziging worden beoordeeld of de oorspronkelijke CFD-resultaten nog geldig zijn.

Dat leidt tot een ontwerptraject waarin hydrodynamische en constructieve engineering op elkaar worden afgestemd. CFD ondersteunt de ontwikkeling van een gunstige ESD-geometrie en levert belastingsinformatie. FEM onderzoekt of de voorgestelde vorm en bevestiging constructief geschikt zijn. Wanneer structurele aanpassingen nodig blijken, kan een nieuwe hydrodynamische berekening noodzakelijk worden.

Voor de technische vrijgave moeten de onderzochte belastinggevallen, de gebruikte constructiemodellen en de toegepaste acceptatiecriteria voldoende zijn vastgelegd. Afhankelijk van de aard van de ESD en de scheepswijziging kunnen afzonderlijke beoordelingen van globale sterkte, lokale spanningen, vermoeiing, stabiliteit of trillingen nodig zijn.

Welke berekeningen en goedkeuringen verplicht zijn, hangt af van de werkelijke uitvoering en de toepasselijke klasse- en vlaggenstaatvereisten. Een FEM-model is daarbij een hulpmiddel voor technische onderbouwing, geen zelfstandige vervanging van de vereiste ontwerpcontrole of goedkeuring. Ook een gunstig FEM-resultaat bewijst niet dat alle relevante belastingen en faalmechanismen zijn onderzocht.

De uitvoering moet bovendien overeenkomen met het beoordeelde ontwerp. De werkelijke materiaaldiktes, lasverbindingen, bevestigingsmiddelen en montagepositie beïnvloeden de constructieve betrouwbaarheid. Afhankelijk van het project kunnen inspecties en controles tijdens of na installatie nodig zijn om vast te stellen of de uitvoering aan de ontwerpuitgangspunten voldoet.

Voor een bestaande kustvaarttanker kan bijvoorbeeld blijken dat de statorvinnen voldoende sterk zijn, maar dat de achtersteven aanvullende ondersteuning nodig heeft om de wisselende belastingen gedurende de beoogde levensduur te kunnen opnemen. De technische oplossing ligt dan niet noodzakelijk in een andere ESD, maar in een betere constructieve integratie. Wanneer die ondersteuning te ingrijpend wordt of de hydrodynamische werking ongunstig beïnvloedt, kan een andere geometrie alsnog de voorkeur krijgen.

De beoordeling moet uiteindelijk aantonen welke constructieve uitvoering geschikt is, onder welke belastingen dat geldt en welke beperkingen of aanvullende controles nog van toepassing zijn. Dat kan met een beperkte analytische berekening, een lokaal FEM-model of een uitgebreider gekoppeld onderzoek, afhankelijk van het risico dat moet worden beheerst.

FEM-analyse is daarmee vooral zinvol wanneer de constructieve geschiktheid van een ESD afhangt van belastingsafdracht, lokale spanningen, vervormingen, stabiliteit of dynamische effecten die met eenvoudigere methoden onvoldoende betrouwbaar kunnen worden beoordeeld. De analyse heeft pas voldoende waarde wanneer de relevante belastinggevallen, de betrouwbaarheid van het model en de toepasselijke constructieve criteria samen aantonen dat de hydrodynamisch gunstige ESD ook veilig en duurzaam kan functioneren.

Dit artikel binnen de reeks

Bij het ontwerp van ESDs voor retrofit en nieuwbouw verschillen de mogelijkheden om bevestigingen en ondersteuningen in de scheepsconstructie op te nemen. Ook na een zorgvuldige constructieve beoordeling kunnen aangroei, corrosie en schade de prestaties en betrouwbaarheid van een ESD beïnvloeden. Beide aspecten maken deel uit van de technische inpassing en levensduur van ESDs.