Bedrijfslogo van Berger Maritiem met een groen blad dat duurzame maritieme innovatie en oplossingen symboliseert.
Logo van Berger Maritiem met een groen blad dat symbool staat voor duurzame innovatie en oplossingen in de maritieme sector.
Technische illustratie van een Pre-Swirl Stator (PSS) voor een scheepsschroef, met hydrodynamische stromingslijnen die de toestroming tonen.

Wanneer moet een ESD na wijziging van de voortstuwingsconfiguratie opnieuw worden beoordeeld?

Een Energy Saving Device (ESD) moet technisch opnieuw worden beoordeeld wanneer een wijziging aan de voortstuwing gevolgen kan hebben voor de aanstroming, schroefbelasting, geometrische afstemming of constructieve belastingen waarop het oorspronkelijke ontwerp is gebaseerd. Een Pre-Swirl Stator (PSS), Pre-Duct, Propeller Boss Cap Fin (PBCF) of Rudder Bulb wordt ontwikkeld voor een specifieke samenwerking met de schroef en omliggende scheepsconstructie. Een nieuwe schroef, aangepaste regeling van een verstelbare schroef of gewijzigde roeropstelling kan die samenwerking veranderen, ook wanneer de ESD zelf behouden blijft. De oorspronkelijke energiebesparing hoeft daardoor niet langer representatief te zijn. Soms blijft de voorziening technisch geschikt en is uitsluitend een gerichte controle nodig. Bij grotere veranderingen kunnen nieuwe hydrodynamische berekeningen, constructieve beoordelingen of aanpassingen aan de ESD noodzakelijk worden. Doorslaggevend is of de gewijzigde configuratie nog binnen de eerder onderbouwde ontwerp- en bedrijfscondities valt. Daarbij moet afzonderlijk worden vastgesteld of de voorziening veilig kan blijven functioneren en of het verwachte hydrodynamische voordeel nog voldoende is onderbouwd.

Welke wijzigingen zijn aanleiding voor een nieuwe ESD-beoordeling?

Een bestaande ESD is afgestemd op een bepaalde voortstuwingsconfiguratie. De geometrie van de schroef, de stroming rond het achterschip en het verwachte bedrijfsbereik bepalen samen hoe de voorziening functioneert. Wanneer een van deze uitgangspunten verandert, moet worden vastgesteld of de oorspronkelijke technische beoordeling nog geldig is.

Schroefvervanging is een duidelijke aanleiding voor zo'n controle. Een andere diameter, bladgeometrie, naafvorm of spoedverdeling kan zowel de schroefaanstroming als de stroming achter de schroef veranderen. Ook bij een schroef met vergelijkbare hoofdafmetingen kunnen verschillen in bladbelasting en naafgeometrie relevant zijn voor de werking van een aanwezige ESD.

Andere wijzigingen hebben vooral invloed op het schroefbedrijfspunt. Denk aan een aangepaste combinatorkromme van een Controllable Pitch Propeller (CPP), een gewijzigde overbrengingsverhouding of een andere voortstuwingsregeling. De geometrie blijft daarbij mogelijk gelijk, maar de schroef kan bij de gebruikelijke vaarsnelheid onder andere omstandigheden werken.

Bij aanpassingen aan de aslijn, achtersteven of roeropstelling verandert mogelijk de onderlinge geometrie. Een grotere schroefdiameter kan bijvoorbeeld de beschikbare ruimte tussen de schroef en een bestaande Pre-Duct beperken. Een gewijzigd roer kan gevolgen hebben voor de aansluiting en hydrodynamische werking van een Rudder Bulb.

Niet iedere verandering rechtvaardigt echter een nieuwe ontwerpstudie. Wanneer een beschadigd onderdeel overeenkomstig de oorspronkelijke specificaties wordt hersteld, kan de bestaande technische onderbouwing geldig blijven. Daarvoor moet wel voldoende vaststaan dat de relevante geometrie, sterkte en bedrijfsvoorwaarden zijn behouden.

Ook normale reiniging en schroefpolijsten vormen niet automatisch een configuratiewijziging. Deze werkzaamheden kunnen de actuele voortstuwingsprestatie herstellen, maar veranderen bij een correcte uitvoering doorgaans niet de bedoelde ontwerpgeometrie. Wanneer tijdens het onderhoud wel de bladgeometrie wordt aangepast of onderdelen door een andere uitvoering worden vervangen, ligt dat anders.

Voor een doelgerichte herbeoordeling worden daarom eerst de oude en nieuwe configuratie naast elkaar gelegd. Daarbij gaat het niet uitsluitend om de benaming van de gewijzigde onderdelen, maar om de gevolgen daarvan voor het schroefbedrijfspunt, de plaatselijke stroming, beschikbare spelingen en constructieve belastingen.

De oorspronkelijke ontwerpgegevens vormen daarbij de belangrijkste referentie. Een wijziging kan binnen het eerder onderzochte werkgebied blijven, ook wanneer een onderdeel fysiek wordt vervangen. Omgekeerd kan een aanpassing van de regeling zonder zichtbare constructieve verandering ervoor zorgen dat de ESD voortaan onder andere belastingen functioneert.

Wanneer de nieuwe omstandigheden aantoonbaar binnen de oorspronkelijke ontwerpbeoordeling blijven, kan een beperkte controle voldoende zijn. Zodra relevante uitgangspunten niet meer worden gedekt, is aanvullende technische onderbouwing nodig voordat de bestaande ESD zonder meer als geschikt kan worden beschouwd.

Wat verandert een andere schroef aan de werking van een bestaande ESD?

Een nieuwe schroef kan een bestaande ESD anders belasten en benutten, zelfs wanneer de voorziening zelf volledig ongewijzigd blijft. De schroefgeometrie bepaalt mede hoeveel stuwkracht wordt opgewekt, hoe de belasting over de bladen is verdeeld en welke stroming rond de schroefnaaf en het roer ontstaat.

Bij een Pre-Swirl Stator is vooral de samenwerking tussen de opgewekte voorrotatie en de schroef belangrijk. De stator verandert de instroomrichting van het water. De oorspronkelijke schroef is ontworpen of beoordeeld voor een bepaalde combinatie van die aanstroming, toerental en bladbelasting.

Wanneer de nieuwe schroef een andere spoed- of bladbelastingverdeling heeft, kan de gunstigste voorrotatie veranderen. De bestaande stator hoeft daardoor niet meer optimaal te zijn. Tegelijkertijd kan de voorziening nog steeds een gunstige bijdrage leveren. Of een aangepaste statorgeometrie daadwerkelijk meer besparing oplevert, moet uit een nieuwe configuratievergelijking blijken.

De invloed werkt bovendien in beide richtingen. Een andere schroef kan door de gewijzigde schroefbelasting en het drukveld ook de aanstroming en hydrodynamische krachten op de bestaande stator beïnvloeden. Het is daarom niet voldoende om uitsluitend de prestaties van de nieuwe schroef zonder de aanwezige stator te onderzoeken.

Een Pre-Duct beïnvloedt de stroming naar de schroef en veroorzaakt zelf hydrodynamische krachten. Bij schroefvervanging zijn daarom zowel de gewijzigde schroefwerking als de onderlinge geometrie relevant. Een grotere schroefdiameter kan de beschikbare ruimte beperken, terwijl een andere schroefbelasting de drukverdeling en krachten op het ductprofiel kan beïnvloeden.

Voor een PBCF is de relatie met de schroef bijzonder direct. De vinnen maken deel uit van de draaiende naafconfiguratie en werken in de stroming achter de schroefbladwortels. Een andere naafdiameter, een gewijzigd bladaantal, een andere bladvoetgeometrie of belastingverdeling kan daarom gevolgen hebben voor de hydrodynamische werking.

Ook de mechanische aansluiting moet opnieuw worden beoordeeld. Wanneer een bestaande PBCF op een nieuwe schroef moet worden gebruikt, is een passende bevestiging alleen niet voldoende. De naafkap, vinpositie ten opzichte van de schroefbladen, beschikbare ruimte en mechanische belastingen moeten eveneens geschikt zijn. Een PBCF wordt voor de betreffende schroefgeometrie ontworpen en kan daarom niet zonder technische controle worden overgenomen. Afhankelijk van de uitvoering kan een aangepaste of volledig nieuwe naafvoorziening nodig zijn.

Een Rudder Bulb wordt afgestemd op de stroming tussen schroefnaaf en roer. Bij een andere schroef kunnen de naafcontour, schroefstraal en drukverdeling veranderen. De bestaande bulb kan daardoor een andere hydrodynamische bijdrage leveren, ook wanneer het roer niet wordt aangepast.

De beoordeling moet daarom twee vragen beantwoorden. Ten eerste of de bestaande ESD nog technisch geschikt is voor de nieuwe schroef. Ten tweede of de voorziening binnen de gewijzigde configuratie nog voldoende voordeel oplevert en of verdere optimalisatie zinvol is.

Een efficiëntere nieuwe schroef kan samen met de bestaande ESD een lagere totale vermogensvraag opleveren, terwijl de afzonderlijke bijdrage van de ESD juist kleiner wordt. Dat is geen tegenstrijdigheid. De totale voortstuwingsprestatie en de aanvullende waarde van de voorziening beschrijven verschillende vergelijkingen.

Wanneer vragen veranderingen in toerental, CPP-regeling of motorvermogen om herbeoordeling?

Een ESD kan anders gaan functioneren zonder dat de schroef of de voorziening fysiek wordt aangepast. Dat gebeurt wanneer de voortstuwing structureel bij andere bedrijfspunten wordt gebruikt.

Bij een CPP kan dezelfde scheepssnelheid met verschillende combinaties van bladstand en toerental worden bereikt. Wanneer de combinatorkromme wordt gewijzigd, verandert mogelijk de belastingverdeling over de schroefbladen en daarmee de stroming waarmee de ESD samenwerkt.

Voor een Pre-Swirl Stator of Pre-Duct is vooral belangrijk of de gewijzigde regeling een andere aanstroming en schroefwerking veroorzaakt. Bij een PBCF spelen daarnaast veranderingen in de lokale naafstroming en de belastingen van de draaiende constructie een rol.

Een aangepaste overbrengingsverhouding kan vergelijkbare gevolgen hebben wanneer daardoor de schroef bij de gebruikelijke scheepssnelheid op een ander toerental wordt gebruikt. De wijziging van de tandwielkast is op zichzelf niet doorslaggevend. Het gaat om de schroefcondities die daadwerkelijk veranderen.

Bij motorvermogen moet onderscheid worden gemaakt tussen het maximaal beschikbare vermogen en de belasting tijdens normaal gebruik. Een aangepaste motorvermogensbegrenzing hoeft de ESD-werking bij een ongewijzigd kruissnelheidsbedrijfspunt niet te veranderen. Wanneer het schip na de ingreep structureel op een andere snelheid, met een ander toerental of bij een andere schroefbelasting gaat varen, kan de oorspronkelijke ESD-afstemming wel minder representatief worden.

Een vergelijkbare afbakening geldt voor een asgenerator of een installatie die vermogen aan de as onttrekt (Power Take-Off, PTO) of eraan toevoegt (Power Take-In, PTI). Een asgenerator verandert de verdeling van het door de hoofdmotor geleverde vermogen tussen de schroef en de elektrische installatie. Een PTI kan juist vermogen aan de aandrijflijn toevoegen. Deze veranderingen betekenen niet automatisch dat de hydrodynamische omstandigheden rond de schroef veranderen.

Wanneer de schroef bij gelijkwaardige scheeps- en omgevingscondities met dezelfde geometrie, bladstand en hetzelfde toerental blijft functioneren, kan het hydrodynamische bedrijfspunt van de schroef in wezen gelijk blijven. Verandert door de nieuwe installatie de regelstrategie, het toerental of de gebruikelijke schroefbelasting, dan moet worden onderzocht of de ESD opnieuw moet worden afgestemd.

Aanpassingen aan de aandrijflijn kunnen daarnaast afzonderlijke beoordelingen van mechanische belastingen, asuitlijning en torsietrillingen vereisen, ook wanneer de ESD hydrodynamisch geschikt blijft. Een gunstige ESD-beoordeling vervangt die controles niet.

De belangrijkste informatie is daarom niet uitsluitend welk nieuw systeem wordt geïnstalleerd, maar hoe de schroef daarna wordt gebruikt. De oorspronkelijke ESD-afstemming kan geldig blijven wanneer de relevante bedrijfspunten behouden blijven. Wanneer de installatie buiten het eerder beoordeelde werkgebied komt, moet worden vastgesteld wat dat betekent voor de hydrodynamische prestaties en technische belastbaarheid.

Hoe beïnvloeden aanpassingen aan roer en achterschip de bestaande ESD-afstemming?

Een ESD wordt ontwikkeld voor de stroming en geometrie rond een bepaalde voortstuwingsopstelling. Daardoor kunnen ook wijzigingen buiten de schroef gevolgen hebben voor een voorziening die zelf niet wordt aangepast.

Wanneer de achterstevenvorm verandert, kan de snelheidsverdeling voor de schroef verschuiven. Een Pre-Swirl Stator of Pre-Duct ontvangt dan mogelijk een andere aanstroming dan waarvoor het profiel en de positie oorspronkelijk zijn geoptimaliseerd. Ook de hydrodynamische krachten op de voorziening kunnen veranderen.

Dat kan bijvoorbeeld optreden wanneer de achtersteven tijdens een omvangrijke retrofit wordt aangepast om ruimte te maken voor een grotere schroef. De nieuwe geometrie verandert niet alleen de beschikbare inbouwruimte, maar mogelijk ook de stroming die de schroef en de bestaande ESD bereikt.

Bij wijzigingen aan het roer ligt de belangrijkste invloed doorgaans achter de schroef. Een Rudder Bulb is direct verbonden met de roergeometrie en wordt afgestemd op de stroming rond de schroefnaaf. Bij vervanging van het roer moet daarom worden vastgesteld of de oorspronkelijke bulbgeometrie nog past bij de nieuwe uitvoering.

Wanneer ook de schroef-roerafstand verandert, verdienen de plaatselijke stroming en beschikbare spelingen aandacht. Dat is niet alleen relevant voor een Rudder Bulb, maar ook voor een PBCF die zich direct achter de schroefnaaf bevindt.

Een nieuw roer hoeft daarentegen niet automatisch tot herontwerp van een Pre-Swirl Stator te leiden. De directe invloed op de stroming voor de schroef kan beperkter zijn dan bij een wijziging van de schroef zelf. De onderlinge hydrodynamische interactie verdwijnt daarmee niet. Of de oorspronkelijke statorbeoordeling geldig blijft, hangt af van de daadwerkelijke gevolgen van de gewijzigde roeropstelling.

Bij een configuratie met meerdere ESDs worden deze afhankelijkheden belangrijker. Wanneer een Pre-Swirl Stator en Rudder Bulb gezamenlijk zijn ontwikkeld, kan een nieuwe schroef of roeropstelling de werking van beide voorzieningen veranderen. Het afzonderlijk aanpassen van slechts een van beide onderdelen levert dan niet noodzakelijk de gunstigste totale voortstuwing op.

De herbeoordeling moet daarom aansluiten op de plaats waar de wijziging doorwerkt. Een gewijzigde achtersteven vraagt vooral aandacht voor de aanstroming richting de schroef. Een nieuwe roerconfiguratie maakt de stroming achter de schroef en de geometrische aansluiting belangrijk. Bij een grotere ingreep kan het nodig zijn de complete romp-schroef-roerinteractie opnieuw te onderzoeken.

Welke gevolgen kunnen configuratiewijzigingen hebben voor cavitatie en constructieve veiligheid?

Een bestaande ESD kan na een voortstuwingswijziging nog steeds een gunstige hydrodynamische bijdrage leveren, terwijl de technische belastingen of veiligheidsmarges veranderen. De herbeoordeling mag daarom niet uitsluitend afhangen van het verwachte besparingspercentage.

Een andere schroefgeometrie of belastingverdeling kan het cavitatiegedrag beïnvloeden. Bij een Pre-Swirl Stator kan de gewijzigde voorrotatie in combinatie met de nieuwe schroef tot andere plaatselijke bladbelastingen leiden. Wanneer de oorspronkelijke cavitatiebeoordeling deze omstandigheden niet omvat, kan aanvullend onderzoek nodig zijn.

Ook een PBCF en Rudder Bulb kunnen anders reageren op een gewijzigde naafstroming of schroefstraal. Niet iedere verandering leidt tot een cavitatieprobleem. De vraag is of de nieuwe configuratie relevante stromingsverschijnselen introduceert die buiten de bestaande technische onderbouwing vallen. Daarbij kunnen ook wisselende drukbelastingen, trillingen en manoeuvreerprestaties aandacht verdienen.

De constructieve gevolgen moeten afzonderlijk worden bekeken. Wanneer de aanstroming van een Pre-Swirl Stator verandert, kunnen de gemiddelde en wisselende krachten op de vinnen anders worden. Dat kan gevolgen hebben voor de bevestiging en de vermoeiingsbelasting van de omliggende constructie.

Bij een Pre-Duct verdienen de krachten op het profiel, de belastingsafdracht via de ondersteuningen en de beschikbare afstand tot de schroef aandacht. Een grotere schroefdiameter maakt controle van de spelingen noodzakelijk. Daarbij moeten ook relevante bewegingen, vervormingen en montagetoleranties worden meegenomen.

Voor een PBCF kan een ander toerental of een gewijzigde naafconstructie aanleiding zijn om de rotatiegerelateerde belastingen en bevestiging opnieuw te beoordelen. Bij een Rudder Bulb kan een andere roeropstelling gevolgen hebben voor de krachten die via de bulb aan het roer worden overgedragen.

Hier moet onderscheid worden gemaakt tussen twee soorten uitkomsten. Een ESD kan veilig blijven functioneren terwijl de verwachte vermogensbesparing kleiner wordt. Dat vormt in de eerste plaats een vraag over de technische en economische waarde van verdere optimalisatie.

Wanneer daarentegen onvoldoende zekerheid bestaat over spelingen, constructieve belastingen, cavitatie of de veilige werking van schroef en roer, moet die technische geschiktheid worden vastgesteld voordat de gewijzigde configuratie normaal in gebruik wordt genomen. Een positieve vermogensvoorspelling is daarvoor niet voldoende.

Een volledige nieuwe eindige-elementenanalyse (FEM) of cavitatieproef is niet automatisch nodig. Wanneer de oorspronkelijke berekeningen aantoonbaar het nieuwe belastingsgebied omvatten, kan een gerichte controle voldoende zijn, voor zover de toepasselijke eisen dat toelaten. Ontbreekt die dekking of worden kritische veiligheidsmarges beïnvloed, dan moet de betreffende beoordeling worden uitgebreid.

Wanneer is een beperkte controle voldoende en wanneer moet de ESD opnieuw worden geoptimaliseerd?

De onderzoeksdiepgang wordt bepaald door de gevolgen van de wijziging en de beschikbare technische onderbouwing. Een nieuwe numerieke stromingsstudie is niet bij iedere wijziging noodzakelijk, maar een ongewijzigde ESD mag ook niet zonder beoordeling als geschikt voor iedere nieuwe voortstuwingsconfiguratie worden beschouwd.

De eerste stap is vaststellen welke oorspronkelijke ontwerpgegevens nog geldig zijn. Daarvoor worden de bestaande ESD-geometrie, schroefgegevens, relevante bedrijfscondities, spelingen en constructieve belastingen vergeleken met de nieuwe situatie. Ook wordt nagegaan welke veiligheids- en prestatiemarges oorspronkelijk zijn onderzocht.

Wanneer een onderdeel wordt vervangen door een technisch gelijkwaardige uitvoering en de relevante omstandigheden behouden blijven, kan een documentcontrole met gerichte verificatie voldoende zijn. De conclusie moet dan wel steunen op aantoonbare overeenstemming, niet alleen op vergelijkbare hoofdafmetingen. De eventuele formele goedkeuring van het vervangen onderdeel blijft daarvan een afzonderlijke vraag.

Een volgende stap is een gerichte technische analyse. Dat kan bijvoorbeeld passend zijn wanneer een nieuwe schroef dezelfde diameter heeft, maar een andere spoedverdeling en bladbelasting. De bestaande Pre-Swirl Stator hoeft dan niet volledig opnieuw te worden ontworpen voordat duidelijk is of de gewijzigde schroef daadwerkelijk een andere instroomafstemming vraagt.

Met geschikte hydrodynamische berekeningen kan worden onderzocht of de bestaande stator onder de nieuwe bedrijfscondities voldoende gunstig functioneert. Daarnaast kunnen afzonderlijke controles van cavitatie, belastingen of spelingen nodig zijn wanneer de wijziging daar invloed op heeft.

Wanneer deze beoordeling laat zien dat de ESD nog veilig functioneert en voldoende hydrodynamisch voordeel oplevert, kan behoud van de oorspronkelijke voorziening een technisch goede keuze zijn. Het feit dat verdere optimalisatie theoretisch mogelijk is, vormt op zichzelf geen reden om de installatie opnieuw aan te passen.

Een uitgebreider herontwerp komt in beeld wanneer de oorspronkelijke afstemming duidelijk niet meer past bij de nieuwe configuratie, of wanneer aanvullende optimalisatie naar verwachting voldoende voordeel biedt om de ingreep te rechtvaardigen. Dat kan bijvoorbeeld spelen bij een nieuwe schroefdiameter, wezenlijk gewijzigde bladbelasting of een aangepaste achtersteven- en roeropstelling.

De uiteindelijke keuze moet niet uitsluitend op de hoogste berekende besparing worden gebaseerd. Ook de benodigde constructieve wijzigingen, engineering, stilstand en onzekerheid van de verwachte verbetering zijn relevant.

Een belangrijk resultaat van de herbeoordeling kan dus zijn dat de bestaande ESD behouden blijft. Daarnaast kan blijken dat een beperkte aanpassing zinvol is of dat een volledig nieuwe ESD-geometrie nodig wordt. Wanneer technische risico's onvoldoende beheersbaar blijken, kan ook het niet langer toepassen van de bestaande voorziening een noodzakelijke uitkomst zijn.

Voor deze beslissingen bestaat geen universeel percentage verandering in toerental, schroefdiameter of spoed waarbij een volledige heroptimalisatie verplicht wordt. Een kleine wijziging kan bij een beperkte speling al belangrijk zijn, terwijl een grotere verandering in een ander geval nog binnen het oorspronkelijk beoordeelde bereik valt.

De herbeoordeling moet daarom drie uitkomsten duidelijk van elkaar onderscheiden: blijft de bestaande technische onderbouwing geldig, zijn aanvullende controles nodig om de gewijzigde configuratie veilig te gebruiken, en levert heroptimalisatie naar verwachting voldoende extra voordeel op? Alleen de laatste vraag gaat rechtstreeks over de wenselijkheid van een nieuw ESD-ontwerp.

Hoe worden de ESD-prestaties na een wijziging opnieuw gevalideerd?

Na een relevante configuratiewijziging moet duidelijk zijn welke prestatie opnieuw wordt beoordeeld. Dat is vooral belangrijk wanneer meerdere voortstuwingsonderdelen tegelijk zijn aangepast.

Stel dat een shortsea-schip een nieuwe schroef krijgt die beter aansluit op de gebruikelijke kruissnelheid. De aanwezige Pre-Swirl Stator blijft behouden. Na de retrofit blijkt het schip bij vergelijkbare omstandigheden minder schachtvermogen nodig te hebben.

Die gemeten verbetering beschrijft de verandering van de complete voortstuwing. Daaruit volgt nog niet hoeveel de bestaande stator in de nieuwe configuratie bijdraagt en evenmin of de oorspronkelijke vinstanden nog optimaal zijn.

Voor die laatste vragen kunnen drie configuraties worden vergeleken: de nieuwe schroef zonder stator, de nieuwe schroef met de bestaande stator en de nieuwe schroef met een eventueel opnieuw geoptimaliseerde stator. Het verschil tussen de eerste twee geeft inzicht in de aanvullende bijdrage van de bestaande stator binnen de nieuwe schroefconfiguratie. De derde variant laat zien of aanpassing van de stator naar verwachting nog extra voordeel oplevert.

Deze vergelijking gebruikt dezelfde nieuwe schroefgeometrie als uitgangspunt. Daarmee wordt niet vastgesteld hoe een afzonderlijk opnieuw geoptimaliseerde schroef zonder stator zou presteren. Wanneer ook dat alternatief wordt onderzocht, beschrijft het resultaat een vergelijking tussen complete voortstuwingsontwerpen en niet uitsluitend de aanvullende bijdrage van de stator.

De onderzochte scheepscondities en overige ontwerpuitgangspunten moeten gelijkwaardig zijn. Wanneer de schroef voor iedere variant opnieuw wordt geoptimaliseerd, moet daarom duidelijk worden onderscheiden of de vergelijking betrekking heeft op de stator zelf of op verschillende geïntegreerde voortstuwingsconfiguraties.

Computational Fluid Dynamics (CFD) en zo nodig modelproeven kunnen deze configuraties onderzoeken. Welke aanvullende validatie nodig is, hangt af van de omvang van de verwachte verschillen en de betrouwbaarheid van de gebruikte methoden.

Proefvaartmetingen op ware grootte kunnen vervolgens de prestatie van het aangepaste schip bevestigen. Een vergelijking van de toestand voorafgaand aan en na de retrofit bewijst echter niet automatisch de afzonderlijke statorbijdrage, vooral wanneer tegelijk schroefonderhoud of andere werkzaamheden zijn uitgevoerd. Daarvoor blijft een geschikte referentie zonder stator nodig.

De vereiste prestatiebeoordeling moet daarom aansluiten op de oorspronkelijke vraag. Om te controleren of het schip na de retrofit de verwachte totale prestatie levert, kan een andere onderzoeksopzet volstaan dan om de afzonderlijke ESD-bijdrage of het voordeel van een nieuwe statorgeometrie vast te stellen.

Ook bestaande prestatieafspraken verdienen aandacht. Een besparingsverwachting die voor de oorspronkelijke voortstuwing is onderbouwd, kan niet zonder nieuwe beoordeling als garantie voor een gewijzigde configuratie worden gebruikt. Welke contractuele gevolgen dat heeft, hangt af van de gemaakte afspraken.

Hoe wordt de herbeoordeling onderdeel van het wijzigingsproces en de technische documentatie?

Een ESD moet al bij de voorbereiding van een relevante voortstuwingswijziging worden meegenomen. Wanneer de gevolgen pas tijdens de installatie worden onderzocht, kunnen noodzakelijke geometrische aanpassingen, berekeningen of goedkeuringen de uitvoering vertragen.

Bij een geplande schroefvervanging moeten de betrokken engineeringpartijen daarom beschikken over de gegevens van de aanwezige ESD. Daaronder vallen de werkelijke geometrie en positie, oorspronkelijke ontwerpcondities en beschikbare hydrodynamische en constructieve berekeningen.

Ook de nieuwe schroefgegevens moeten voldoende vroeg beschikbaar zijn. Vooral de diameter, naafvorm, bladgeometrie, relevante toerentallen en verwachte belastingverdeling zijn belangrijk om te bepalen of de bestaande voorziening nog goed aansluit.

De oorspronkelijke ESD-leverancier kan daarbij informatie leveren over de ontwerpafstemming en belastingsgrenzen. De schroeffabrikant en eventuele andere engineeringpartijen moeten daarbij rekening houden met de aanwezige ESD. Zo wordt voorkomen dat afzonderlijke onderdelen worden geoptimaliseerd zonder de onderlinge wisselwerking voldoende te beoordelen.

Wanneer een PBCF op een nieuwe schroef wordt toegepast of de afstand tussen een ESD en een ander onderdeel verandert, moet de constructieve geschiktheid eveneens tijdig worden vastgesteld. Dat geldt bijvoorbeeld voor een bestaande PBCF die op een nieuwe naafkap zou worden toegepast of een Pre-Duct waarvan de afstand tot de schroef kleiner wordt.

Bij een schroefretrofit kunnen daarnaast goedkeuringen en controles van de nieuwe schroef, de bevestiging, asuitlijning en torsietrillingen relevant zijn. Afhankelijk van de wijziging kunnen ook inspecties, manoeuvreerproeven en een actualisering van de manoeuvreerinformatie nodig zijn. Deze beoordelingen betreffen de volledige voortstuwingsinstallatie en staan niet gelijk aan de hydrodynamische herbeoordeling van de ESD.

De toepasselijke klasse- en vlaggenstaatvereisten moeten daarom afzonderlijk worden vastgesteld. Een beperkte verandering van de ESD-afstemming hoeft geen ingrijpende nieuwe constructieve beoordeling te verlangen, terwijl een schroefvervanging wel aanvullende goedkeuringen voor de aandrijflijn kan vereisen.

De wettelijke energie-efficiëntiedocumentatie vormt een ander aandachtspunt. Bij een ingrijpende verbouwing die als major conversion onder de toepasselijke regels valt, kan herberekening en verificatie van de Energy Efficiency Existing Ship Index (EEXI) verplicht zijn. Ook een wijziging van een bestaande motor- of schroefasvermogensbegrenzing kan gevolgen hebben voor de documentatie en goedkeuring van het systeem.

Bij een Engine Power Limitation (EPL) of Shaft Power Limitation (ShaPoLi) moet daarom worden nagegaan of de EEXI Technical File en de bijbehorende documentatie, waaronder waar van toepassing het Onboard Management Manual, moeten worden herzien. De vereiste procedure hangt af van de gewijzigde parameters en de aard van de installatie.

Niet iedere schroef- of ESD-wijziging veroorzaakt automatisch een nieuwe EEXI-certificeringsverplichting. Een wijziging die de energie-efficiëntie verbetert zonder als ingrijpende verbouwing te worden aangemerkt, kan onder bepaalde voorwaarden aanleiding geven tot een vrijwillige actualisering. Omgekeerd kan een wijziging van de vermogensbegrenzing formele gevolgen hebben terwijl de ESD-geometrie zelf geschikt blijft. De hydrodynamische, constructieve en wettelijke beoordeling moeten daarom afzonderlijk worden uitgevoerd en waar nodig op elkaar worden afgestemd.

Na de retrofit moeten de definitieve geometrie, gewijzigde bedrijfsinstellingen en relevante onderzoeksresultaten worden vastgelegd. Wanneer nieuwe berekeningen zijn uitgevoerd, moeten deze overeenkomen met de werkelijk geïnstalleerde configuratie. Ook eventuele aangepaste inspectie- en onderhoudsvoorschriften moeten beschikbaar blijven. Dat voorkomt dat bij een volgende aanpassing onduidelijk is op welke schroef, roeropstelling of regeling de aanwezige ESD oorspronkelijk is afgestemd.

Een Energy Saving Device moet na een wijziging van de voortstuwingsconfiguratie opnieuw worden beoordeeld zodra de geldigheid van de oorspronkelijke ESD-ontwerpuitgangspunten onvoldoende vaststaat. De beoordeling begint met het vergelijken van de oude en nieuwe geometrie, bedrijfscondities en belastingen. Wanneer deze aantoonbaar binnen het bestaande ontwerpbereik blijven, kan een beperkte technische controle voldoende zijn. Bij gewijzigde aanstroming, schroefbelasting of constructieve randvoorwaarden kan gerichte engineering nodig worden. Heroptimalisatie is pas aan de orde wanneer de bestaande ESD niet langer technisch geschikt is of wanneer verdere aanpassing voldoende onderbouwd voordeel biedt. Zo blijft de beoordeling in verhouding tot de werkelijke wijziging en wordt voorkomen dat een bruikbare voorziening onnodig wordt vervangen of een verouderde ontwerpafstemming zonder controle wordt gehandhaafd.

Dit artikel binnen de reeks

Een bestaande ESD kan goed inspecteerbaar en onderhoudbaar zijn, terwijl wijzigingen aan de voortstuwing toch een nieuwe beoordeling van de hydrodynamische afstemming vragen. Onderhoud en toegankelijkheid blijven daarbij belangrijk voor de technische betrouwbaarheid tijdens de exploitatie. Voor schepen waarop de betreffende regels van toepassing zijn, verdient ook de mogelijke bijdrage van een ESD aan EEXI en CII aandacht, waarbij technische energie-efficiëntie en operationele CO2-intensiteit afzonderlijk worden beoordeeld. Deze vraagstukken komen samen binnen retrofit, levensduur en regelgeving voor ESDs.