Bedrijfslogo van Berger Maritiem met een groen blad dat duurzame maritieme innovatie en oplossingen symboliseert.
Logo van Berger Maritiem met een groen blad dat symbool staat voor duurzame innovatie en oplossingen in de maritieme sector.
Scheepsschroef als onderdeel van de voortstuwing van een zeeschip

Welke typen scheepsschroeven zijn er en wat zijn hun kenmerken?

Auteur: Jeroen Berger • Publicatiedatum:

De scheepsschroef, internationaal aangeduid als propeller, vormt het centrale element van de voortstuwing van een schip en beïnvloedt in hoge mate de energie-efficiëntie, wendbaarheid en bedrijfszekerheid aan boord. De gekozen schroefconfiguratie bepaalt namelijk hoe effectief het beschikbare motorvermogen wordt omgezet in stuwkracht, en werkt daarmee direct door in het brandstofverbruik, de emissies en de belasting van de voortstuwingslijn. Voor reders en scheepseigenaren is de keuze voor het juiste type scheepsschroef daardoor geen detailbeslissing, maar een strategische afweging die structureel doorwerkt in exploitatiekosten en operationele prestaties over de levensduur van het schip.

Tegelijkertijd lopen scheepstypen, inzetgebieden en vaarprofielen sterk uiteen, waardoor één universele oplossing niet bestaat. Om aan die uiteenlopende operationele eisen te voldoen, zijn in de praktijk verschillende typen scheepsschroeven ontwikkeld, elk met specifieke hydrodynamische en operationele eigenschappen. In dit artikel worden de belangrijkste varianten toegelicht, waarbij hun kenmerken worden geplaatst in de context van brandstofefficiëntie, emissiereductie en de naleving van relevante internationale normen en richtlijnen.

Vaste scheepsschroef (FPP)

De vaste scheepsschroef, internationaal aangeduid als Fixed Pitch Propeller (FPP), is wereldwijd de meest toegepaste uitvoering van conventionele scheepsvoortstuwing. Bij dit type schroef staat de bladhoek permanent vast en kan deze tijdens de vaart niet worden aangepast. Juist die vaste geometrie resulteert in een eenvoudige en mechanisch robuuste constructie, die zich kenmerkt door een hoge betrouwbaarheid en een relatief lage onderhoudsbehoefte. In vaarprofielen met een constante vaarsnelheid en een gelijkmatige belasting, zoals bij bulkcarriers, containerschepen, olietankers, binnenvaartschepen met voorspelbare routes en vissersschepen, sluit dit karakter goed aan bij de operationele praktijk. Onder dergelijke condities kan een FPP efficiënt functioneren en levert zij stabiele en goed voorspelbare voortstuwingsprestaties.

Tegenover deze voordelen staat dat de vaste bladhoek de flexibiliteit beperkt wanneer het schip regelmatig onder wisselende snelheden of bedrijfscondities opereert. Omdat de schroefgeometrie niet kan worden aangepast aan veranderende belasting of vaartoestand, kan het rendement in dergelijke situaties afnemen. De inzet van een FPP vraagt daarom om een zorgvuldige afstemming tussen schroefontwerp, motorconfiguratie en het beoogde vaarprofiel, zodat de eenvoud en efficiëntie van het systeem optimaal tot hun recht komen binnen de beoogde operationele grenzen.

Verstelbare scheepsschroef (CPP)

In tegenstelling tot een vaste scheepsschroef maakt de verstelbare scheepsschroef, internationaal aangeduid als Controllable Pitch Propeller (CPP), het mogelijk om de bladhoek tijdens de vaart te variëren. Daardoor kan de voortstuwing nauwkeuriger worden afgestemd op belading, vaarsnelheid en manoeuvreerbehoeften, zonder dat het motortoerental altijd dezelfde rol hoeft te spelen als bij een vaste schroef. Dit maakt een CPP met name relevant voor schepen die frequent onder wisselende condities opereren, zoals sleepboten, offshore-ondersteuningsschepen, cruiseschepen en veerboten, waar controle bij lage snelheid en snel wisselende vermogensvraag in de praktijk zwaar wegen.

Die regelbaarheid levert operationele voordelen op en kan, afhankelijk van vaarschema en belastingprofiel, in de praktijk uitkomen op circa 5 tot 10 procent brandstofbesparing. Tegelijkertijd kan een betere afstemming tussen motorbelasting en schroefbelasting bijdragen aan lagere emissies en een stabielere bedrijfsvoering over het profiel. Daarmee kan de CPP een rol spelen in de naleving van kaders zoals de Energy Efficiency Existing Ship Index (EEXI), de Carbon Intensity Indicator (CII), het Europees emissiehandelssysteem (EU ETS) en FuelEU Maritime, dat vanaf 2025 de broeikasgasintensiteit van energie aan boord op well-to-wake basis stapsgewijs aanscherpt, bijvoorbeeld voor brandstoffen en energiedragers zoals bio-LNG, LNG, (bio- en e-)methanol, waterstof, ammoniak en andere hernieuwbare of koolstofarme opties.

Tegen deze achtergrond neemt de aandacht voor flexibiliteit in de voortstuwingslijn toe, zeker nu CII-ratings in de praktijk steeds zwaarder meewegen in operationele keuzes. Om die reden overwegen reders en scheepseigenaren vaker een CPP, met name wanneer het vaarprofiel vraagt om variabele belasting en precieze stuwkrachtregeling. Daarmee blijven flexibiliteit en efficiëntie beter in balans en ontstaat ruimte om prestaties en naleving integraal te optimaliseren.

Straalbuisscheepsschroeven

Voor vaartuigen waarbij trekkracht zwaarder weegt dan regelbaarheid is een straalbuisschroef vaak een passende keuze. Bij dit concept, internationaal aangeduid als ducted propeller, omsluit een straalbuis (nozzle) de propeller en geleidt zij de waterstroom langs de bladen. Door die geleiding kan de stuwkracht bij lage vaarsnelheid toenemen, waardoor meer trekkracht beschikbaar komt in het werkgebied waar dit type schepen het vaakst opereert. Om die reden wordt de straalbuisschroef veel toegepast op sleepboten, baggerschepen, bevoorradingsschepen en binnenvaartschepen die frequent manoeuvreren, met name in ondiep water.

Hoe groot dit effect in de praktijk uitvalt, hangt echter sterk af van de geometrie van zowel de straalbuis als de schroef en van de interactie met de romp. Het straalbuisontwerp, het aantal bladen en de spoedverdeling werken namelijk samen met de rompwake, de door de romp veroorzaakte instroming naar de schroef. In combinatie bepalen deze factoren de tipverliezen en andere energieverliezen, en daarmee het uiteindelijke rendement. Wanneer metingen en berekeningen in dit snelheidsgebied zorgvuldig zijn opgezet en consistent zijn gedocumenteerd, kan die wisselwerking leiden tot aantoonbare efficiëntiewinst en beter voorspelbare prestaties.

Om prestaties objectief te kunnen vergelijken en ontwerpkeuzes te onderbouwen, kan de beoordeling worden opgebouwd uit sleeptank- en cavitatietunnelonderzoek volgens ITTC-richtlijnen, eventueel aangevuld met openwaterproeven. Vervolgens kunnen de uitkomsten in de vaart worden getoetst met proefvaartmetingen die zijn gecorrigeerd volgens ISO 15016 en met operationele monitoring conform ISO 19030. Daarmee ontstaat een herleidbare basis voor vergelijking en besluitvorming, mits meetcondities, aannames en toegepaste correcties transparant zijn vastgelegd.

Tegenover de voordelen bij lage snelheid staat dat bij hogere vaarsnelheden de weerstand van de straalbuis toeneemt en het totale rendement afneemt. De toepassing past daarom vooral wanneer maximale trekkracht, stabiliteit en controle bij lage snelheid zwaarder wegen dan een hoge kruissnelheid. Met name in krachtgeoriënteerde vaarprofielen komt de straalbuisschroef daardoor het best tot haar recht.

Roerpropellers en elektrische pods

Voor schepen waar een hoge manoeuvreerprestatie vereist is, zoals cruiseschepen, veerboten en gespecialiseerde offshorevaartuigen, worden roerpropellers en elektrische pods veel toegepast. Een roerpropeller, internationaal aangeduid als azimuth thruster, kan 360 graden om de verticale as draaien, waardoor de stuwrichting in elke gewenste richting kan worden georiënteerd. Daardoor kunnen manoeuvres zoals zijwaarts verplaatsen en dynamisch positioneren doorgaans efficiënt en nauwkeurig worden uitgevoerd, zeker wanneer snel moet worden gereageerd op veranderende omgevingscondities. Omdat stuwkracht en stuurfunctie in één unit zijn geïntegreerd, neemt de controle bij lage snelheid toe en wordt de responstijd korter, wat in krappe of drukke vaargebieden direct voordeel oplevert.

Vanuit diezelfde behoefte aan integratie en regelbaarheid is een elektrische pod vaak een logische vervolgstap. In dit concept is de elektromotor in de pod ondergebracht en drijft hij de propeller direct aan, waardoor een conventionele mechanische transmissielijn grotendeels kan vervallen. Deze configuratie combineert efficiënte voortstuwing met zeer nauwkeurige manoeuvreerbaarheid en gaat in de praktijk regelmatig samen met lagere geluids- en trillingsniveaus. Voor passagiersschepen vertaalt zich dat naar merkbaar meer comfort, terwijl de stillere aandrijving daarnaast kan bijdragen aan het beperken van onderwatergeluid in lijn met richtlijnen zoals ICES 209, en waar relevant aan nationale voorschriften.

In moderne scheepsontwerpen worden pods daarom geregeld geïntegreerd in hybride of volledig elektrische aandrijfsystemen. Binnen zo’n energiearchitectuur kunnen zij bijdragen aan verduurzaming, terwijl ze tegelijkertijd passen binnen de geldende operationele eisen en milieunormen. Welke oplossing het best aansluit, hangt in de praktijk af van het vaarprofiel, de gekozen energiearchitectuur en de gewenste mate van wendbaarheid, omdat juist die samenhang bepaalt waar de grootste operationele en technische meerwaarde ontstaat.

Waterjets

Een waterjet zuigt via een inlaat onder de romp water aan en stuwt dit met hoge snelheid uit via een nozzle. Doordat de straal binnenscheeps wordt opgewekt en er geen schroef of roerblad onder de romp uitsteekt, blijft de effectieve diepgang doorgaans beperkt en neemt het risico op schade door grondcontact af. Tegelijkertijd reageert het systeem snel op vermogenswisselingen, wat met name bij dynamische vaart een functioneel voordeel oplevert. Bij hoge Froude-getallen, waarbij de vaarsnelheid wordt gerelateerd aan scheepslengte en zwaartekracht, is bovendien de cavitatiemarge vaak gunstig, wat het typische toepassingsgebied van waterjets verklaart.

Vanuit deze combinatie van eigenschappen zijn waterjets vooral geschikt voor snelle veerboten, patrouillevaartuigen en jachten met hoge acceleratie en frequente stop-startcycli. Bij hogere vaarsnelheden kan het hydrodynamisch rendement concurrerend zijn met dat van conventionele voortstuwingssystemen. Bij langdurige inzet op lagere kruissnelheden verandert dit beeld echter, omdat een klassiek schroefsysteem onder dergelijke condities in de regel een hoger totaalrendement behaalt.

Naast hydrodynamische prestaties vraagt ook het onderhoud specifieke aandacht. Bij waterjets ligt het zwaartepunt daarbij in de interne jet-unitcomponenten, waaronder de impeller, het roterende schoepenwiel dat de stroming versnelt, en de stator, waarvan de vaste geleidebladen de restwerveling uit de straal reduceren. Daarnaast zijn afdichtingen, lagers en de inlaatbescherming bepalend voor de bedrijfszekerheid. Een gelijkmatige en ongestoorde instroming naar de inlaat, het beperken van extra weerstand door aangroei en adequate bescherming tegen drijfvuil zijn daarbij essentieel voor stabiele prestaties.

Ook de manoeuvreer- en stuurfuncties wijken af van die van een conventionele schroef-roerconfiguratie. Achteruitvermogen en fijn sturen worden doorgaans gerealiseerd met een omkeerbucket die de waterstraal omleidt, of met richtvoorzieningen met verstelbare lamellen in de uitlaat. Daardoor verschilt de bediening wezenlijk van klassieke systemen, wat in de praktijk vaak vraagt om specifieke training van de bemanning om veilige en reproduceerbare manoeuvres te waarborgen.

Voor prestatieverificatie wordt veelal gestart met modelproeven en numerieke stromingsanalyses van inlaat, jet-unit en uitlaatconfiguratie. De uitkomsten daarvan kunnen vervolgens tijdens proefvaarten worden getoetst met metingen die zijn gecorrigeerd volgens ISO 15016 en aangevuld met operationele monitoring conform ISO 19030. Mits meetcondities, aannames en toegepaste correcties transparant zijn vastgelegd, ontstaat zo een herleidbare en technisch toetsbare basis voor dimensionering, selectie en certificering.

Cycloïdale voortstuwing

Een cycloïdale voortstuwer, ook bekend als de Voith Schneider Propeller (VSP), maakt gebruik van een rotor met verticale as waarop meerdere bladen met verstelbare bladstand zijn gemonteerd. Door de bladstand tijdens de rotatie cyclisch te variëren, wordt de stuwvector, zowel in richting als in grootte, continu geregeld zonder gebruik van een afzonderlijk roer. Daardoor ontstaat een directe koppeling tussen stuur- en vermogenscommando’s en de opgewekte stuwkracht. Aan boord wordt dit ervaren als een zeer voorspelbare en snelle respons, inclusief zijwaarts verplaatsen en draaien op de plaats.

Juist die directe en continue stuwvectorregeling maakt dit type voortstuwing bijzonder geschikt voor schepen die opereren in beperkte ruimtes en frequent aan- en afmeren. Denk daarbij aan havensleepboten, veerboten met korte trajecten, aannemings- en offshore-ondersteuningsschepen en onderzoeks- of patrouillevaartuigen die regelmatig station-keeping vereisen. VSP’s kunnen in elke richting een hoge trekkracht leveren en verkorten doorgaans de tijd die nodig is om koers of positie te corrigeren. Bij langere vaart op hogere snelheid ligt het hydrodynamisch rendement echter meestal lager dan bij een conventionele vaste of verstelbare schroefconfiguratie, al dan niet in combinatie met een straalbuis. De meerwaarde van cycloïdale voortstuwing ligt daarom vooral in korte, manoeuvre-intensieve inzetprofielen.

Die operationele voordelen stellen specifieke eisen aan inbouw en integratie. De draagconstructie rond de rotor moet cyclische belastingen en piekmomenten veilig kunnen opnemen, terwijl tegelijkertijd een rustige en gelijkmatige instroming naar de rotor wordt geborgd. In onderhoud ligt de nadruk op de bladvoetlagers, afdichtingen, het bladstandmechanisme en het hydraulische regelsysteem. Aanvullende bescherming tegen drijfvuil en een strak ingericht smeer- en inspectieregime zijn daarbij belangrijk om ongeplande stilstand te beperken. Aan de aandrijfzijde zijn zowel diesel-mechanische als diesel-elektrische configuraties gangbaar, waarbij integratie met dynamisch positioneren en een passende noodstoplogica extra aandacht vraagt in ontwerp en bediening. In de praktijk gaat dit vaak gepaard met gerichte training van de bemanning.

Om prestaties en gedrag goed te onderbouwen, wordt voor de prestatiebeoordeling regelmatig gebruikgemaakt van modelproeven, met name om inzicht te krijgen in wendbaarheid, respons en interactie met de romp. Openwateronderzoek met variërende bladstand kan daarbij referentiewaarden voor de rotor opleveren. Numerieke stromingsanalyses, waaronder CFD-berekeningen, vullen dit aan door de cyclische bladstand en de roterende instroming expliciet mee te nemen. In samenhang leveren deze stappen een technisch onderbouwde basis voor ontwerp, dimensionering en verdere verificatie.

Contra-roterende schroeven en CPP in een straalbuis

Contra-roterende schroeven maken gebruik van twee rotoren op dezelfde as die in tegengestelde richting draaien. De achterste rotor kan een deel van de restdraaiing in de slipstroom, de uitstroming achter de voorste schroef, terugwinnen, waardoor de wervelverliezen afnemen. Daardoor kan bij een gegeven diameter een hogere stuwschijfbelasting worden gerealiseerd en is de cavitatiemarge in veel gevallen gunstiger, afhankelijk van ontwerp en bedrijfspunt. Daar staat tegenover dat de aslijn, lagering en afdichtingen mechanisch complexer worden, waardoor uitlijning, torsietrillingen en onderhoud kritischer zijn en doorgaans expliciete aandacht vragen in ontwerp en verificatie.

Juist wanneer de schroefdiameter wordt begrensd door diepgang of achterstevengeometrie, of wanneer veel vermogen via één aslijn moet worden overgebracht, kan deze opstelling interessant zijn. In dat soort randvoorwaarden is de mogelijkheid om meer stuwkracht uit een beperkte diameter te halen vaak doorslaggevend. Toepassingen lopen uiteen van enkelassige schepen met hoge vermogensdichtheid tot roerpropellers, azimuth thrusters, met contra-roterende sets, waar koersvastheid en respons zwaar wegen en de integratie in de unit bepalend is voor de prestaties.

Waar contra-rotatie vooral stuurt op slipstroomrendement en schijfbelasting binnen een beperkte diameter, richt een CPP in een straalbuis zich op een andere combinatie van eigenschappen. Een verstelbare schroef, CPP, in een straalbuis combineert namelijk trekkracht bij lage snelheid met regelbaarheid over een breed belastingsgebied. De straalbuis kan de stuwschijfbelasting verhogen en daarmee de bollard pull, de statische trekkracht, terwijl de verstelbare bladstand de stuwkracht fijn kan doseren bij lastwisselingen en manoeuvres. Dat sluit aan bij profielen met veel dynamische belasting, zoals sleepdiensten, bevoorrading en baggeroperaties, waar controle bij lage snelheid en snelle respons in de praktijk zwaar wegen. Net als bij straalbuisopstellingen in het algemeen neemt bij hogere snelheden de weerstand van de buis toe, waardoor het rendement kan afnemen naarmate het bedrijfspunt naar kruissnelheid verschuift.

In beide gevallen wordt de uiteindelijke winst in sterke mate bepaald door detailontwerp en instroomcondities. Bladgetal en spoedverdeling moeten passen bij de rompwake, de door de romp veroorzaakte instroming, omdat die interactie de belastingverdeling over het blad en het rendement mede bepaalt. Skew, de bladscheefstand, en tip rake, de terugstand van de bladtip, beïnvloeden het cavitatiegedrag en het trillingsniveau, terwijl de hub ratio, de verhouding tussen naaf- en buitendiameter, zowel sterkte als instroom beïnvloedt. Materiaalkeuze en eventuele ijsclassering begrenzen daarnaast het toegestane belastingsprofiel en bepalen mede de acceptabele veiligheidsmarges. Aan de aandrijfzijde zijn daarom een zorgvuldige torsietrillingsanalyse, een sluitend smeer- en afdichtingsconcept en een duidelijke bladstand- en toerentalstrategie belangrijk, zodat prestaties en bedrijfszekerheid aantoonbaar in balans blijven.

Wanneer de schroefdiameter beperkt is en een hogere stuwschijfbelasting of extra slipstroomrendement gewenst is, kan een contra-roterende schroef passend zijn. Als maximale trekkracht bij lage snelheid met precieze regeling centraal staat, ligt een CPP in een straalbuis eerder voor de hand. Voor langere trajecten op hogere kruissnelheid blijft een conventionele FPP of CPP doorgaans het efficiëntst, omdat die configuraties in dat snelheidsgebied meestal gunstiger scoren op weerstand en totaalrendement.

Strategische afweging voor reders en scheepseigenaren

De keuze voor een scheepsschroef is een strategische afweging, omdat zij direct doorwerkt in energie-efficiëntie, emissies en bedrijfszekerheid over het feitelijke vaarprofiel. Om die reden is het zinvol de selectie te baseren op een integrale beoordeling waarin technische eigenschappen, operationele inzet en toepasselijke regelgeving aantoonbaar op elkaar aansluiten.

In de praktijk begint dit met een analyse van het vaargedrag en de relevante belastingspunten, gevolgd door het doorrekenen van kansrijke configuraties met herleidbare en gevalideerde methoden. Daarbij kan modelonderzoek volgens ITTC-richtlijnen worden gecombineerd met proefvaartmetingen die zijn gecorrigeerd volgens ISO 15016 en met operationele monitoring conform ISO 19030. Zo ontstaat een technisch toetsbare basis om prestaties, risico’s en onderhoudsimpact te vergelijken en de aansluiting op kaders zoals EEXI, CII, EU ETS en FuelEU Maritime te onderbouwen.

De uiteindelijke keuze wordt bij voorkeur geplaatst binnen een life cycle cost-analyse (LCCA), waarin brandstofverbruik, onderhoudsstrategie en beleidskosten in samenhang worden beoordeeld. Per saldo is de meest verantwoorde optie doorgaans die configuratie die, gegeven het beoogde vaarprofiel, onder gecontroleerde condities de beste balans biedt tussen aantoonbare CO₂-reductie, beheersbare technische risico’s en een voorspelbaar goedkeuringstraject bij het classificatiebureau.

Over dit artikel

Dit artikel maakt deel uit van de achtergrondinformatie over de scheepsschroef als product en valt binnen het cluster Typen scheepsschroeven en voortstuwingsconfiguraties. De kern is dat geen enkel schroeftype universeel optimaal is, maar dat prestaties, efficiëntie en bedrijfszekerheid voortkomen uit de samenhang tussen schroefconfiguratie, vaarprofiel en operationele eisen. Voor een projectspecifieke uitwerking sluit de pagina Scheepsschroef op maat hier logisch op aan.

Voor een nadere verdieping in de ontwerpkeuzes die aan deze configuraties ten grondslag liggen, sluit Wat zijn belangrijke ontwerpprincipes voor een efficiënte scheepsschroef direct aan. Dit artikel beschrijft hoe bladgeometrie, instroming en belastingverdeling bepalend zijn voor rendement, cavitatiegedrag en trillingen, ongeacht het gekozen schroeftype.

De praktische vertaalslag van schroeftype naar toepassing wordt verder uitgewerkt in Hoe verschilt de scheepsschroefkeuze per scheepstype, waarin wordt toegelicht waarom dezelfde configuratie in het ene segment goed functioneert en in een ander segment juist beperkingen kent.

Wanneer de keuze voor een schroeftype wordt geplaatst in een bredere context van efficiëntie en regelgeving, biedt Hoe draagt een efficiëntere scheepsschroef bij aan MARPOL Annex VI, EEXI/CII en NOx-reductie aanvullende verdieping. Dit artikel laat zien hoe configuratiekeuzes conditioneel kunnen doorwerken in brandstofverbruik, emissies en de onderbouwing richting compliance-kaders.

Samen positioneren deze artikelen de scheepsschroef niet als een los component, maar als een integraal onderdeel van een samenhangende ontwerp- en besluitvormingsketen binnen de hedendaagse scheepvaart.